Boekgegevens
Titel: Prozastukken voor de hoogste klassen van 't gymnasium
Auteur: Bosch, J.H. van den
Uitgave: Utrecht: H. Honig, 1896
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 08-239
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202619
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Bloemlezingen (vorm), Leermiddelen (vorm), Bellettrie (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Prozastukken voor de hoogste klassen van 't gymnasium
Vorige scan Volgende scanScanned page
400
wel, Myn Heer den Avocaat, vervolgde ze, en je ziet het
ook wel veur je oogen, dat de jonge lui malkander wel meugen
lyen ; Vader en ik hebben niets tegen H huwely'i, en heur moe-
der mee niet; Daar hy staat Agnietje ons Motje heel icel aan,
en om dat ze de jonge zo lief heit, {niet ivaar Motje?) zo
denkt ze, en wy ook, dat het werkje maar hoe eer hoe liever
zyn voortgang hoorde te hebben ; maar men spreekt van huw-
lyksche voorwaarden, en daar hebben toe zo geen kennis van,
datjy ons daar eens in te regt wou helpen; Je bent ons alty l zo
een goed vriend geweest, en je zult ons dezen dienst ook nog wel
doen. Hoor Moedertje, antwoordde ik, ik zal u de zaak zeg-
gen zo als ze my op 't hart legt. "Wat hebben wy hier veel
omslag te maken omtrent huwelyksche voorwaarden; De
jonge lui menen malkander met hart en ziel, en daar 't
hart en 't ligchaam gemeen worden, behoorde 'tgeld ook
gemeen te wezen. Dat vatje wel, sprak Vader hier op; daar
spreekt een Engel uit je mond, galmde Jacob hem na; Dog
nog een weinig gehoor verzogt hebbende voer ik aldus voort.
Hoewel ik het niet vast weet, zo vermoede ik nochtans, dat
Agnietjes moeder juist niet in zo een goeden doen is, als
onze Buurman, en dat de vryster mogelyk van haar kant,
behalven haar goede huishouding, en spaarzaamheid, weinig
of niets ten huwelyk zal hebben, dog... Hier op borst
Motje uit, hoe iceinig of niet? Neen, neen, dat zal zo niet
gaan: dat versta ik gansch niet, en ik zal 7 ook niet lyden
al tcas het nog zo ; al heel niet. Niet weinig over zo een on-
verwagten uitval ontzet, en niet andersdenkende, of Motje
zogt een stok in 't wiel te steeken: hoe Vrouwtje sprak
ik, wel wat wil dit zeggen? dat komt me zeker onverwacht
voor. Ik had my vast verbeeld, dat de zaak u wonder wel
aanstond; waar van daan mag tog zo een'schielyke veran-
dering komen. Wel wie zeid, antwoordde Besje, dat ik van
gedagten verandert ben; maar ik zeg als nog dat ik niet lyden
zil, dat het meisje niet met al ten huwelyk brengt, en kan her