Boekgegevens
Titel: Prozastukken voor de hoogste klassen van 't gymnasium
Auteur: Bosch, J.H. van den
Uitgave: Utrecht: H. Honig, 1896
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 08-239
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202619
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Bloemlezingen (vorm), Leermiddelen (vorm), Bellettrie (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Prozastukken voor de hoogste klassen van 't gymnasium
Vorige scan Volgende scanScanned page
29
als de naam aanduidt, de buitenwal der stad. Wel was
in den aanvang der zeventiende eeuw, inzonderheid ten
gevolge der oprichting van de O.-I. Compagnie, die een
aantal inwoners naar Amsterdam deed heenstroomen, de
stad aan de westzijde aanzienlijk uitgelegd; doch de drie
trotsche kaaien, die thands met een driedubbele halve
maan de binnenstad omsluiten, de Heere-, Keizers- en
Princegracht, bestonden nog maar gedeeltelijk en liepen
niet verder dan tot aan de lijn, welke de Beulingstraat
en 't Molenpad vormen, en waar zij toen op den stads-
muur stuitten. Aan het einde van den Heiligen weg, of
liever, aan 't einde van wat men nu het Koningsplein
heet, stond de Heilige-wegspoort, gelijk de Regulierspoort
op hetgeen thands de Botermarkt heet: wat daar buiten lag,
was open veld. Doch de behoefte aan woningen had ook
hier reeds een aantal gebouwen doen oprichten, die, sedert,
toen men in 'tjaar 1657 met de nieuwe uitlegging der
stad ook aan de oostzijde begon, óf gesloopt, öf in de rij
van nieuwe huizen werden opgenomen. Zoo was er dan
ook, op de plaats waar thands de Leidsche straat naar de
poort van dien naam geleidt, en waar de Heilige-wegspoort
van twee ophaalbruggen en een buitenpoortjen voorzien,
op uitkwam, een vrij ruim plein, waar zich aan weders-
zijden ettelijke herbergen, kroegen en stallingen verhieven.
Op dat plein en op den stadscingel was alles drukte en
gewoel. Het was een heerlijke wintermorgen: een gestrenge
vorst had de wateren bevloerd en hunne oppervlakte was
bedekt met schaatserijders; terwijl op het plein de rijtuigen
en sleden elkander kruisten of in de koetshuizen op hun
gezelschap wachtende waren. — Immers binnen de stad
mocht geen rijtuig op wielen zich toen nog, buiten bijzon-
dere vergunning, vertoonen: en zij, die zich met zoodanig
middel van vervoer naar elders heen begaven, waren
genoodzaakt buiten de poort op te stijgen. Onder de