Boekgegevens
Titel: Prozastukken voor de hoogste klassen van 't gymnasium
Auteur: Bosch, J.H. van den
Uitgave: Utrecht: H. Honig, 1896
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 08-239
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202619
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Bloemlezingen (vorm), Leermiddelen (vorm), Bellettrie (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Prozastukken voor de hoogste klassen van 't gymnasium
Vorige scan Volgende scanScanned page
396
plaats ; Hoor Man, zey Moeder daar op, laat iny daar eens
me omspringen, ik zal 't wel schikken zo als 't hoort. Myn
Heer den Avokaat is nog een vryer, laat die tusschen de
Meisjes gaan zitten, onze Kobus naast Agnietje, daarna buur-
vrouw, en dan Motje, en dan zeilen wy onze plaats van
zelf wel vinden. Zo gezegd zo gedaan, en in een ogenblik,
was dat garen, dikwils zo verward in andere gevallen, afge-
haspeld. Agnietje, haar moeder, en ik namen aanstonds ieder
wat op ons bord, en Kobus, die al wat in de schotel gele-
peld had gelyk d'andere Vrienden, volgde ons daarin, op
het aanstooten van zyn liefje, die hem zagtjes toebeet, foei
Jacob; want Kobus was reeds al Jacob geworden, en aldus
zullen we hem in 't vervolg noemen. De pottagie opgenoo-
men zynde wierd 'er een groote en keurlyke runderribbe
in de plaats gezet, tusschen twee schotels Grrauw-erten, en
was aan d' andere kant verzelt met een slaatje, en wat ge-
stoofde appeltjes. Zie daar heb je 't al vrienden, sprak
Vader, zo dra alles in order was; Je moet het zo voor lief
nemen. De harte-pastey staat in 't midden, en hoe meer je
eet, al zou je me de beenen maar overlaten, hoe meer
pleizier je me doen zult. Na dit hartelyk compliment, kwam
het aan op 't opsnyden van den harst, en mids ik zag
dat niemand aan dit zwaarwigtig werk de hand dorst slaan,
was ik gedienstig genoeg, hoewel in allen delen een slegt
opsnyer, om de zaak te ondernemen. Schoon ik 'er eer stuk-
ken afhakte, en afzaagde, als behoorlyk afsneed, wierd myne
bekwaamheid in 't algemeen tot den hoogsten top opgevyzelt,
en ieder wierd naar zyn genoegen gediendt; Jacob, die zyn
liefje, nevens haar moeder, en my, met een vork zag eeten,
door zyn' eerste misslag op zyn hoede zynde, bezogt zulks
mede, en voor de eerste ryze ging zulks al vry wel; Want
waar in tog slaagt de liefde niet; Vader keek die welle-
vendheid van zyn kind met aandagt aan; Wel jongen, aTprak
hy, waar mag je tog geleerd hebben met een vork te eeten ?