Boekgegevens
Titel: Prozastukken voor de hoogste klassen van 't gymnasium
Auteur: Bosch, J.H. van den
Uitgave: Utrecht: H. Honig, 1896
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 08-239
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202619
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Bloemlezingen (vorm), Leermiddelen (vorm), Bellettrie (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Prozastukken voor de hoogste klassen van 't gymnasium
Vorige scan Volgende scanScanned page
395
met minder geluit wat langzamer, als van de vorigen myn
genot nam. Agnietje, die buiten twyffel wist hoe ik myn
best had gedaan om 't werkje voort te zetten, wierd zo
dra ik haar naderde, hoewel haar mooye bruinoogjes zeer
vriendelyk stonden, zo rood als bloed ; Dog 't is niet uit
te drukken met wat doorstralende vriendschap ik van den
hupscheu Kobus, om dezelfde reden, onthaald wierd. Nauw-
lyks kon ik myne handen uit zynen ontwerren; Had
liy zig niet ontzien, ik geloof dat hy my dezelven gezoend
zou hebben, en zyne dankbaarheid was duidelyk geschree-
ven in alle de trekken van zyn wezen. Vader en Moeder
hunne zondagse pakje aan hebbende zagen 'er netjes,
dog maar als gemeene burgerluitjes uit, Motje was met
blonde, of liever geele scheeltjes gekapt, die, gelyk als de
rest van haar kleeding ruim half zo bejaard scheenen
als de goede sloof zelf. Agnietje, Zusje Keetje, en de vroome
Vryer waren in 't nieuw, en al een trapje of twee hooger
in zwier geklommen als van te voren, en ons vrystertjes
Moeder was als een fraye burgervrouw aangedaan, zonder
de minste kostelykheid, maar met een kuifje op 't hooft
en in alles propertjes en helder. Dewyl zy wat fatsoen-
lyker als de man en vrouw van 't huis opgebragt scheen,
geloof ik voor vast dat ze met raad en daad, tot het dekken
van de tafel, gelyk ook tot het ordoneeren van 't eeten,
zal geholpen hebben. Want alles vvas op zijn burgers even
ordentelyk. Het tafellaken fyii, en ruim, en do servetten
fray geplooit, en binnen ieder eenig wittebrood; Daar by
lagen by alle de tinne borden nieuwmodische messchen,
nevens zilvere lepels en vorken, die pas uit de winkel schee-
nen te komen. Terwyl ik deze omstandigheden aanmerkte,
wierd het eerste gerigt opgedist, bestaande alleen in een
zeer groote schotel potagie van een kalfschinkel, met bal-
letjes, soucysen. Komt Vrienden, sprak Vader toen; laat
het eeten niet koud worden, als 't je blieft, en neemt je