Boekgegevens
Titel: Prozastukken voor de hoogste klassen van 't gymnasium
Auteur: Bosch, J.H. van den
Uitgave: Utrecht: H. Honig, 1896
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 08-239
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202619
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Bloemlezingen (vorm), Leermiddelen (vorm), Bellettrie (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Prozastukken voor de hoogste klassen van 't gymnasium
Vorige scan Volgende scanScanned page
394
je weet, wel ontmaken, nou, dat's tot daar toe; Myn verzoek
zou dan zyndat je mee op de portie woud komen, dan zouwen
we eens van de zaak in de grond kunnen praten. Maar ik zeg
je van te voren datje niet getracteert zidt worden, wy hebben
daar geen kennis van, we zullen een schoone beste ribbe in
den ooven laten zetten, en daar zei moeder wat graauw
erten by koken en nog eenige wissewasjes 'er by gereed
maken, altyd je zidt de kost hebben. Deze nodiging stond
my wonder wel aan; Ik beloofde; dat ik zonder fout op't
bestemde uur t' zynent zou wezen. Ik heb het ook nage-
komen, en het my in 't minste niet beklaagt.
Gelyk myn gewoonte is in een gezelschap om het her-
haaien van 't ceremonieel te myden, niet van de eersten
te verschynen, had ik net het gewoone uur van 't mid-
dagmaal afgewagt, om my, naar myn hupschen Client te
begeeven, en ik kwam juist teffens met het gebraad binnen.
Daar wierd naar niemand als naar my meer verlangt, en
ik weet niet ergens van myn leven, met natuurlyker te-
kenen van ongeveinsde heusheid ontfangen te zyn. 't Gansche
gezelschap bestond, in Agnietje met haar Moeder, en de
luiden van 't huis, die met my en het oude Motje, wiens
tegenwoordigheid my als een goed teken voorkwam, het
getal van acht uitmaakte- Vader stak my aanstonds de
hand toe, en drukte de myne door enkele gulhartigheid
vry wat ruw en gevoelig; Moeder kwam hier op my haar
mond aanbieden, en ik kuste haar dat het klapte, zo wel
als het goed Motje, die my al grunselende meer als tien
maal verzeekerde, dat ik van harten welkom was; Dog de
geringe onaangenaamheid, die ik hier had moeten onder-
gaan, wierd my dubbeld vergoed, door drie zoentjes zonder
erg, die door ieder van de zoete jonge meisjes tegens zo
veel van de mynen geruilt wierden, en van dewelken ik