Boekgegevens
Titel: Prozastukken voor de hoogste klassen van 't gymnasium
Auteur: Bosch, J.H. van den
Uitgave: Utrecht: H. Honig, 1896
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 08-239
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202619
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Bloemlezingen (vorm), Leermiddelen (vorm), Bellettrie (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Prozastukken voor de hoogste klassen van 't gymnasium
Vorige scan Volgende scanScanned page
393
gezin niet beter als aan Agnietje kon besteed worden, dat
ik voor haar goede imborst wel zou durven instaan, dat ze
zeer wel was opgevoed, en dat, schoon men t'mynent schier
al kan hooren wat 'er in 't buurhuis omgaat, ik in den tyd
van zes jaren niet gemerkt had, dat 'er 't minste woord tus-
schen moeder en dogter was voorgevallen; dat ze de gehoor-
zaamheid zelf omtrent de oude vrouw was, en dat wat aan-
gaat overleg en zuinigheid, myn buurvrouw daar in uitgeleerd
was, en dat het niet mankeeren kost, of haar dogter, gansch
niet misgedeeld van verstand, moest die kunst van haar
hebben afgezien; In een woord, dat ik niet en twyffelde,
of Kobus had wonder wel uit zyn oogen gekeken, en zou
een gelukkig man zyn met Agnietje. Wel ik ben van har-
ten bly, datje zulke goede getuigenis van de Vryster geeft,
sprak hier op de goede man; Maar zou je evenwel niet
denken, dat de jongelui nog een jaartje of anderhalf behoor-
den te wagten met trouwen, tzou nou nog maar kinder-
werk wezen, vrees ik. Neen myn lieve buurman, antwoordde
ik, dat is gansch myn gevoelen niet; Diergelyke zaaken
moeten niet slepende gehouden worden, zo men geen ge-
vaar wil lopen, van ze door nydigheid, en agterklap te zien
vernietigt. Ik zou 'er in uw plaats maar hoe eer hoe liever
mee doorgaan. Uw zoon die tot nog toe zo zedig geleeft
heeft, zal nu, na myn gedagten, by Agnietje kunnen bren-
gen, 't geen hy by 't meisje wenscht te vinden, en zekerlyk
ook wel vinden zal. Je verstaat me wel, en je zond niet ge-
looven hoe veel zulks wederzyds toebrengt tot een stand-
vastige huwlyksliefde. Wel hoor, Heer Avocaat, H zal dan
best zijn, dat we 't houivelyk maar ten eerste sluiten; Maar
ik moetje iets verzoeken, en dat moetje me niet iceigeren,
'k heb tegens morgen middag, Agnietje met haar Moeder te gast
genood; Ons Motje zal 'er ook zyn, daar moeten de kinderen
thans of morgen een zoet stuivertje van erven, maar daar is
beter na te wagten, als na te vasten, want ze ken hef er, als