Boekgegevens
Titel: Prozastukken voor de hoogste klassen van 't gymnasium
Auteur: Bosch, J.H. van den
Uitgave: Utrecht: H. Honig, 1896
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 08-239
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202619
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Bloemlezingen (vorm), Leermiddelen (vorm), Bellettrie (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Prozastukken voor de hoogste klassen van 't gymnasium
Vorige scan Volgende scanScanned page
392
de man, dat je 't me nu ook niet weigeren zult, in een zaak
daar me veel aan gelegen is. Je zult zekerlyk wel weten,
terwyl de heele straat 'er vol van is, dat men jonge naar
je buurmeisje Agnietje vryd; Hy is'er als dol na, nou trou-
wens dat is geen wonder; wy hebben al mee zo geweest,
en ik moet zeggen, dat hy zo wel oppast, zo geschikt is, en
in alles my en zen moeder zo voldoet, dat het ons leed zou
wezen de jongens genegendheid tegen te staan, 't geen hem
vast en zeker een groot hartzeer aan zou doen, en mogelyk
ook wel op den hol helpen. Maar 't moest evenwel een lutje
bykomen; je kent buiten twyffel je buurlui, en je zult me
wel ten naasten by weten te zeggen hoe het 'er mee staat.
Ik dagt voor vast dat de goede man van my weten wou,
of 'er een stuivertje zat by 't meisje, derhalven antwoordde
ik hem, dat ik niet geloofde dat't'er breed by die mejischen
zat, dat, naar ik had kunnen merken, de jonge dochter vry
wel van linnen en wolle onderleid was, maar dat ik niet
geloofde, dat de moeder haar veel ten huwelyk zou kunnen
geven. Dat is de vraag niet, Myn Heer, antwoordde myn
vrome Client, dat heeft de Dogter zelfs ten eersten aan
onze Kobus bekend gemaakt, en dat kan men ook weinig
scheelen, 't liefste geld is't geen men zelf wind; Myn jonge
verstaat zen handwerk en is naarstig, ik denk hem met den
eersten >yn proef te laten doen, en tusschen jou en myn
ik heb door oppassen en spaarzaamheid, al vry wat meer
vergaart, als de lui weldenken; ik wou maar van je weten,
of Agnietje zig wel draagt, of ze wat weet van huis te
houden, en voornamentlyk of ze goedaardig is, want myn
Kobus is een kalf van een jonge, en, zo hy een kwaad wyf
had, hy zou zig dood knyzen. Maar ik kan het van 't meisje
niet denken, zo een aanvallig ding als 't is; onze Keetje is
'er schier al zo mal mee als haar broer, en d'ouwe Vrouw
houd 'er alreeds zo veul van als of het 'er dogter waar. Ik
antwoordde, dat de vrindschap van hem en van zyn huis-