Boekgegevens
Titel: Prozastukken voor de hoogste klassen van 't gymnasium
Auteur: Bosch, J.H. van den
Uitgave: Utrecht: H. Honig, 1896
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 08-239
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202619
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Bloemlezingen (vorm), Leermiddelen (vorm), Bellettrie (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Prozastukken voor de hoogste klassen van 't gymnasium
Vorige scan Volgende scanScanned page
391
niet gek is, heeft haar koeltjes voor haar raad bedankt,
haar ernstig verzoekende zig voortaan niet haar zaken,
die ze zelf in staat was to bestieren, niet te bemoejen —
Gy zoud u leven niet gelooven. Heer Spectator, hoe onzejong-
man, zedert dat de zaakjes van zyn liefde wat voor de wind
gaan, verandert is; Hy is opgeloken als een roos, en daar hy
van te voren vry wat inelkmuilagtig 'er uitzag, de kop liet
hangen, en maar armen en benen scheen te hebben, om
tc werken, en van plaats te veranderen, gaat hy op zyn
lyf zo regt als een kaars, en heeft zo een goed fatsoen
als de braafste borgerszoon van de stad; Zyn hairtje is
netjes, en naar de mode met een kuifje gesneede, zyn
hoedje zwierig opgetoomt, en hoewel hy nog dezelve
kleeren aan heeft, zo staanze hem heel anders aan 'tlyf.
Zyn spraak, dat meer is, is de zelfde niet meer, en zyn
tong is wel eens zo glad, en los geworden. Met Agnietje
is 't net eveneens gelegen; In al haar trekken, die, hoe
frny ze ook waren, door haar onnozelheid, en door de
ongevoeligheid van haar hart, dof en sprakeloos waren,
straald een aangenaam leven door, en haar oogjes nu
niet een zagt vuur bezielt, beginnen te leeren spreeken,
en zeggen, naar ik gis, dikwils meer, als 't hun toege-
laten word Mogelyk zult gy my vragen hoe ik die
gansche verandering in de jonge luiden heb kunnen
gewaar worden? hier van zal ik u in korte woorden ver-
slag doen. Ik vernam wel haast dat de Vader van Kobus
ecu man was my zeer wel bekend, vermids ik hem als
Advocaat in verscheide zaken met een gowenschte uitslag
gedient had, 't geen hem meer als eens had aangezet,
om in andere affaires die van myn Professie niet en
zyn, met my raad te pleegen. Op een zekeren tyd kreeg ik
zeer onverwagt een' visite van de goede man, expres om
myne gedagten omtrent zyns zoons vryagie te weten. Je
hebt me zo dikwils te recht geholpen. Heer Advocaat, zei