Boekgegevens
Titel: Prozastukken voor de hoogste klassen van 't gymnasium
Auteur: Bosch, J.H. van den
Uitgave: Utrecht: H. Honig, 1896
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 08-239
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202619
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Bloemlezingen (vorm), Leermiddelen (vorm), Bellettrie (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Prozastukken voor de hoogste klassen van 't gymnasium
Vorige scan Volgende scanScanned page
388
ik my niet, en 's agtermiddags na 't uitgaan van de kerk,,
zag ik liem zinlyk uitgedost, en 't hairtje netjes gepoedert,
't geen liem een heel ander manspersoon deed lyken, met
een langzame tred aankomen. Dog de arme vryer v?endde
vergeefsche moeite aan; De deur en vensters bleven by
Agnietje gesloten, 't geen hem, wanneer hy voor de derde
reis 't huis voorby spanseerde, met de uiterste verslagent-
heid zyne oogen na den Hemel deed verheffen, als of hy
aldaar over Agnietjes ongevoeligheid, en wreedheid, klagtig
wou vallen. Ik ben verzekert, had hem 't meisje in die
nare toestant gezien, dat het haar zeer aan 't hart gedaan
en voor vast tot deernis zou bewoogen hebben. Maar 't was
haar schuld niet, en 't zoete schaap was even te voren
met moeder uitgegaan, met een by beitje onder den arm,
naar alle waarschynlykheid, om de avonlpreek te gaxn
horen. Ik had een waaragtig medelyden met den armen
hopeloozen knecht, die volgens den aard der oprechte en
tedere minnaars, dewelke altyd 't ergste vrezen, zig gewis
verbeeld zal hebben dat Agnietje een afkeer van hem
had, en noit eenige geneegentheid voor hem zou hebben.
Doordien ik 't overige van de week 's avonds zelden t'huis
was of wel met bezigheden bezet, vernam ik niets verder
van de zaak, tot Zondaags daar aan, toen ik uit de kerk
komende, my verbeelde onzen jongman voor my uit te
zien gaan in onze straat, en naar de kant van myn huis;
In 't voorby stappen zag ik dat ik my niet bedroog, dog,
't geen my ten hoogste verwonderde, was dat hy een
meisje op zy had met dewelke hy het zeer druk had, en
die my niet ouder nog lelyker voorkwam als ons buur-
vrystertje, maar, hoewel niet veel zwieriger, vry wat
kostelyker was uitgedost, en rykelyk met goud en zilver
behangen. Ik twyffelde geenzins, of zyn oogmerk was om
Agnietje te trotzeeren, en zig over hare spytigheid te
wreken, met haar te doen zien dat hy om haar zo zeer