Boekgegevens
Titel: Prozastukken voor de hoogste klassen van 't gymnasium
Auteur: Bosch, J.H. van den
Uitgave: Utrecht: H. Honig, 1896
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 08-239
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202619
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Bloemlezingen (vorm), Leermiddelen (vorm), Bellettrie (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Prozastukken voor de hoogste klassen van 't gymnasium
Vorige scan Volgende scanScanned page
387
burgemeesters zeun van de heele stad. In alle geval, sprak
Agnietje, dat zou je niet aan myn, maar aan men Moeder
moeten verzoeken; Maar dat hoefje niet te beginnen, ze
zou 'er tog geen ooren na hebben, en al was 't zo, zo zou
ik het tog niet toestaan. Eens zo goed als duizendmaal,
ik wil tog met geen Vryers te doen hebben. Maar mag
ik dan ten minste nou en dan niet eens voorby komen, myn
liefste Agnietje. Wel malle jonge sprak zy daar op al
lachende, kan ik je dat verbieden? is de straat voor jou
zo vry niet als voor een ander ? .Ja maar je weet wel,
iou guitje, waar ik heen wil, ik wou vragen of je dan zo
goed niet zou wezen, en komen eens aan de deur? Dat zou
by geval kunnen gebeuren, wierd hem daar op toegedient,
maar zo 't al zo was zo versta ik absoluit niet dat je men
aanspreekt, ik zou 't je zeer kwalyk afnemen. Ey, je
zult ummers niet myn liefste Agnietje; Nu dat zal je
dan gewaar worden; doet het op die koop maar eens;
Dit zeide ze met eene zekere spytigheid, die my vry wat
gemaakt voorkwam, en hier mede, na dat de goede slokker
te vergeefs om een zoentje had gebedelt, en uit een diepe
eerbied de oprechte en innige tederheid zo eigen, niet
hard daar op had durven aandringen, was de vryagie voor
dien avond uit. Dog 't geen ik voor den jongeling, in
wiens liefde ik niet na kan laten een teder belang te
nemen, een goed teken vond, was dat Agnietje de deur
reedlyk hard toegesmeeten hebbende de zelve zo zagtjes als
't mooglyk was weer opende, om den jongeling nog eens
na te zien, en daarna even zagt dezelve weer toe sloot.
Na d'eerste aanval van onzen hupschen werkgast op 't
onbedreeve hart van 't zoete Agnietje, twyffelde ik niet,
of hy zou den volgende Zondag niet missen zyn uiterste
best te doen, om de kans weer te wagen. Hier in bedroog