Boekgegevens
Titel: Prozastukken voor de hoogste klassen van 't gymnasium
Auteur: Bosch, J.H. van den
Uitgave: Utrecht: H. Honig, 1896
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 08-239
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202619
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Bloemlezingen (vorm), Leermiddelen (vorm), Bellettrie (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Prozastukken voor de hoogste klassen van 't gymnasium
Vorige scan Volgende scanScanned page
385
ze Itmul zo veul van me of ik 'er eige kind waar, en men
sus en ik moeten al 't goedje van'er erven; zo dat ik met'er
tyd Baas kan worden, en van jou, myn zoete Agnietje lief,
een gelukkige vrouiv maken; Daar hy ziet meniemant ooit
in kroegen of herbergen; Ik ga alle Zondag te kerk, en
teugen Paaschen hooj) ik me belydenis te doen. Zie dat zal
je alles van me zo vernemen als ik het je daar zeg, en zo
ik je 't minste leugentje op de mouw spel, zo mag ik icel
lyden, dat ik men leven je lief bakkesje niet meer en zie
en dat 's immers al icat men zeggen kan. Dit alles had
myn buurmeisje met al te veel oplettendheid aangehoort,
om het met onverschilligheid aan te horen. Hoor Buur-
vryer, gaf ze hem eindelyk met een zagtzinniger toon,
tot antwoord, al 't geen je daar gezeid hebt kan wel
waar wezen, ik heb zulke kwade gedagten niet van men
evennaaste, dat ik daar aan twyffelen wil; Maar ik hoef
daar niet na te vernemen, ik heb 'er niet meê te doen;
't zyn zaken die buiten my zya. Hebben je Ouwers, en
je Motje geld en goed, zo veel te beter voor jou; ik
wensch je goeden avond, ik moet na binnen gaan. Moeder
staat zo aanstonds t' huis te komen, en zo ze me hier met
een manspersoon zo laat zag praten, daar zou een leven
leggen als een oordeel, en de Vrouw zou gelyk hebben
ook. Hier op vatte de Vryer Agnietje met een vriendelyke
dwang by de hand, en verzogt haar met een hikkende stem,
(en ik geloof waarlyk dat de goede bloed wezentlyk tranen
stortte) hem zo ongetroost niet weg te zenden ; Ik bid je,
zo lief als ik je heb, myn zoete Agnietje, van nog een beetje
te bly ven, hoe zou 't van je hart kunnen me zo te laten gaan,
daar je zo een goedaardig Meisje bent... Ei kyk borst hier
op Agnietje al lagchende uit, dit is immers nou te mal
om 'er van te spreeken, hoe kan jy weten, buurvryer, of
ik goedaardig ben, of niet, dewyl je me voor d' eerste
reis van je leven spreekt^ of heb je ook naar me ver-
25