Boekgegevens
Titel: Prozastukken voor de hoogste klassen van 't gymnasium
Auteur: Bosch, J.H. van den
Uitgave: Utrecht: H. Honig, 1896
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 08-239
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202619
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Bloemlezingen (vorm), Leermiddelen (vorm), Bellettrie (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Prozastukken voor de hoogste klassen van 't gymnasium
Vorige scan Volgende scanScanned page
383
wanneer ze aldus door den jongman wierd aangesprooken :
Och huurvrystertje, iveest tog niet hang voor my, dat hid
ik je. Ik zou immers geen kind kwaad doen, 'k laat staan
dan jou; ik wou je maar verzoeken, myn zoete kind, of ik
myn pijpje, dat uitgegaan is, eens aan je testje mogt opsteeken.
Deze woorden met een bevende stem uitgesprooken, en die
eer scheenen te komen van iemand die bevreest was, als
die een ander vervaart wilde maken, stelden Agnietje
gerust; Og ja vrienje antwoordde ze, 't is zeer tot je
dienst, maar wat scheeld je tog, 't is puur of je ontsteld
waart Daar op reikte ze haar testje over; Dat hen ik,
myn lieve kind, hernam hy, en als je me een oogenhlikje
tyd wilt geven, zal ik je de reede wel zeggen. Onderwylen
was hy bezig met, zo langzaam als 't mooglyk was, zyn
tabak vuur te doen vatten, terwyl ieder uitblazing van
den rook in een tedere zugt veranderde. Eindelyk wat tot
bedaren gekomen zynde: Ken je me dan niet huurdogtertje,
sprak de goede hals. Wel me dunkt antwoordde ze, dat
je me aan 't oog hangt, en dat ik je meer als eens hier voorby
heb zien gaan. Dat en is geen toonder zeeker, hervatte de
vryer, og ik hen hier meer als hondert maal voorby gekoomen,
maar ik héb je nooit durven aanspreeken, 't was of ik de
koors op Hlyf kreeg, als ik maar een voet naar je toe wou
zetten; Maar ik heh evenwel nou men stoute schoenen aan-
getrokken; Hoor het hoogste woord moet \r uit. Zonder
dat kan ik tog nagt nog dag, om jouwent wil niet rusten,
en ik wil hoopen, myn lieve kind dat je H me ten heste zult
houden, en niet kwaad 'er om tegen me worden, want hoe kan
ik het geheeteren dat ik je zo lief heb, en dat kan immers jou
't minste kwaad niet doen----Ei hoort me die malle jongen
eens aan, sprak Agnie^e hier op! „wat kan hy zoet
keuzelen, zou me niet denken, dat hy 't meende. Kom,
kom jy vryer, dat pyp aansteeken duurt wat te lang, je
hebt de regte niet voor vriendje, dat verzeker ik je. Had