Boekgegevens
Titel: Prozastukken voor de hoogste klassen van 't gymnasium
Auteur: Bosch, J.H. van den
Uitgave: Utrecht: H. Honig, 1896
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 08-239
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202619
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Bloemlezingen (vorm), Leermiddelen (vorm), Bellettrie (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Prozastukken voor de hoogste klassen van 't gymnasium
Vorige scan Volgende scanScanned page
381
die geenen die van geest niet misgedeelt zyn, zo wonder
veel met die gave ophebben, dat ze zig verbeelden, dat
dezelve de spil is daar 't al in de mensehelyke t' zamenlee-
ving op drait, en dat niets wel uitgevoert word, zonder
dat 'er geestrykheid meê gemengt zy. In die gedagten heb
ik duizendmaal toen ter tyd by my zeiven overwoogen, hoe
tog boeren, werkgasten, in een woord plompe en ongeslee-
pe vernuften het stellen mochten, als ze verlieft waren, en
hunne genegentheid aan 't voorwerp van hun min trachten
te ontdekken, en smaakelyk te maken. Een declaratie van
liefde, waar van ik honderden opgesmeukte en behaaglyke
staaltjes van Romans, en galante vertelzeltjesgezien had, kwam
my voor als een meesterstuk van 't menschelyk vernuft, en
ik hield my verseekert dat het niet anders wezen kost of
een vryer, die zig op een boersche en lompe wyze daar van
kweet, moest aanstonds, met verbod van ooit weer te komen,
afgezet worden, en de sak krygen. Ik kwam eenigzins agter
het geheim van die kunsteloze vryery, my bevindende op
een Adelyk huis, alwaar, mids het kermis op het dorp was,
een goed getal jonge boeren en boerinnen vergast wierden
en vrolyk waren. Ik beluisterde verscheide verliefde paar-
tjes; Dog hoewel ik wat meer ervarendheid krygende
wel bespeurde dat de liefde by dat ongemanierd manvolk
niet min hevig en teder was, als by de best opgevoede^
kwam my hun manier van dezelve uit te drukken zeer
onaardig en zelfs walgelyk voor, en ik maakte my wys,
dat, zo egter dezelve op 't gemoed der vrysters eenige
indruk maakte, de eenige reden daar van moest zyn, dat
dezelve niet min als de vryers van geest en verstand
waren berooft. Zulks scheen my aldus toe, om dat ik die
wyze van vryen niet overeenbragt met de natuur zelf,
maar dat ik dezelve vergeleek met de zo gezegde hofiyk-
heid van fatsoenlyke en geestryke galants. Dog de dwaling
uit die misvatting ontstaan is my in ryper ondervinding