Boekgegevens
Titel: Prozastukken voor de hoogste klassen van 't gymnasium
Auteur: Bosch, J.H. van den
Uitgave: Utrecht: H. Honig, 1896
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 08-239
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202619
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Bloemlezingen (vorm), Leermiddelen (vorm), Bellettrie (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Prozastukken voor de hoogste klassen van 't gymnasium
Vorige scan Volgende scanScanned page
378
geraden, wou ik 'er niet van afstaan. Ze mosten me dan
de byl geven, en ik nam 't koetje zo gewis, dat het
beest aan d'eene kant en ik aan d'ander teugens de grond
bruiden. Maar hoewel ik me mit de byl wat bezeert
had an me linker been, was ik weer op as een vink, en
ik ging mee op het beest zitten, dat nog geweldig lag te
spartelen. Toen ze aan 't villen gingen vatte ik mee
een enkje kaars om 'er mit aandagtigheid na te kyken;
en toen ze 'er de huid zo al wat of hadden, hoorde ik
met een onbeschryfelyke vreugd, dat een van de slagters
zei, dat doet zig maar heerlyk op, en zo 't overal zo
is, zo is't het puikje van de heele stad; ja wel toen
ik dat hoorde was heel Leyje me te nauw. Maar 't was
wel wat anders te zeggen, toe 't opgehakt wierd, waar
men 't voelde 't was overal even dik, en Nierbedden,
Nierbedden, geen schilder kon ze beter schilderen; Je
leven heb je zo'n gejuig niet gehoord, als 'er was on-
der de kykers; maar daar was 'er een die dat groot
beest gekogt had, daar ik je van gezeid heb, en dat een
Kalf in had gehad, en zo mager was als brood, die zag
het met een scheel oog aan, en die vroeg met een op-
geschorte neus of het smeer wel sestig pond halen zou.
Zestig pond zei ik 'er op, zo fier als een Leeuw, ik hou
je een paar stoop jenever, op vyf en seuventig. 't Is ge-
daan zei hy zo, en nam al de omstanders tot getuigen.
Toe het aan den balk hong was 'er weer een gek, die wou
wedden om 't zelfde, dat het zo as het daar was, niet boven
de vyf hondert pond zou wegen; ik hiel het weer, om dat
een van de slagers men eens toeknikte, en ik wist wel
wat dat zeggen wou. Onderwyl wierd 't beest schoon be-
goten, en ik heb van men dagen geen beter pret gehad.
De volgende nagt droomde ik dat ik in een kamer was
rontom behangen met vette ossen en verkens, onder dewel-
ken ik men wyf mee zag, maar ik was zo verheugd, dat