Boekgegevens
Titel: Prozastukken voor de hoogste klassen van 't gymnasium
Auteur: Bosch, J.H. van den
Uitgave: Utrecht: H. Honig, 1896
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 08-239
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202619
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Bloemlezingen (vorm), Leermiddelen (vorm), Bellettrie (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Prozastukken voor de hoogste klassen van 't gymnasium
Vorige scan Volgende scanScanned page
377
nen al aan men stoep vast gebonden. Na dat ik een klokje
voor de vermoeitheid en kou genomen had versleet ik
den ganschen ogtend met over men onderdeur met een
pypje in de mond te leggen, en 't beesje te beschouwen,
als of ik 't zo levendig op wou eeten, behalven dat ik
wel hondert maal op straat ging om het op nieuws te
betasten, 't zelfde wierd gedaan van alle de buurlui, waar
van de meeste zeer voldaan scheenen, hoewel zommige
met een vies bakkes, en een schuddende kop heen gingen,
dog dat waren maar nydige schurken die ik groote lust
had, om de waarheid te zeggen, een klap voor haar smoel
te geven. Honderden van kinderen vergaderden meeront-
om ons koetje, en als ze tegens malkander zeyen: hjk
eens jonge, dafs Thysbuurs Os, ja wel, dan voelde ik in
men zeiven zo een' aangename hoverdy, en zo een vreugd,
dat het was of me 't hart in 't lyf opsprong. Ik gunde
me 's middags haast de tyd niet om te eten, in een paar
minuten had ik 't maal binnen, en zo aanstonds weer
op men post; te half \yf moesten de slagters komen,
volgens belofte; Ik telde ieder kartier uurs, en had ik
en orlosi gehad, 't zou allyd in myn handen zyn ge-
weest. Toen 't vier uuren was geslagen, en den baas,
en de andere buurman al gekomen waren, ging ik
ieder ogenblik kyken op den hoek van onze straat,
en as ik maar van verre iets blauws zag, heelde ik my in
dat zy lui het waren. Eindelyk daar kommenze an. Toe
begon men hart me te popelen; maar ik nam weer een
goeje klok, zo dat, toe het beest binnen gebrogt wierd,
ik al een halve brui weg had. Toe most je m'eens heb-
ben zien triompheren; 't Is waar, hoe meer kykers in
zulke occasie hoe beter, maar evenwel boende ik ten huis
uit al de jongens van de buren, daar ik een pik op heb
en zy op myn; want dat mist zeide. Met duivels gewelt
wou ik het beest zelfs kuisschen, en hoewel 't m' of wierd