Boekgegevens
Titel: Prozastukken voor de hoogste klassen van 't gymnasium
Auteur: Bosch, J.H. van den
Uitgave: Utrecht: H. Honig, 1896
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 08-239
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202619
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Bloemlezingen (vorm), Leermiddelen (vorm), Bellettrie (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Prozastukken voor de hoogste klassen van 't gymnasium
Vorige scan Volgende scanScanned page
376
'er betastte, dat ze viy grof van schonken was, en dat
we en hoope beenen voor ons geld zouwen hebben. Ik
liet men oog mit eene vallen op een kort in een ge-
dronge beesje, met korte dunne pootjes, en een kleine
spitze kop, dat zo kortharig en zo glad was dat een
mensch 'er zig zou in hebben kunnen spiegelen. Ik be-
tastte het van alle kanten, en ik kan je zeggen, dat 'er
geen been in te voelen was. Je bent zo gek niet, als je
de muts wel staat, zei de boer, ik durfje dat koetje op
trouw toezeggen, en voor elf pondjes zei je 't hebben. Na
langen iyd geprobeert te hebben welke handen de hardste
zyn, die van een boer, of die van een schoenmaker, wierd
de koop getroffen voor negen d'half pond, en een paar
kannen wyn in 't gelach, die op 't goed succes met smaak
uitgedronken wierden; Zo dat we ons diverteerden as
keuningen; Nouw zedert dien dag, moet je weten, heeft
me 't beest nagt en dag in de kop gelegen, en op de win-
kel wierd nergens anders van gepraat. Toe nou de bestemde
lyd om te slagten haast aankomen zou, sprak den baas
me weer an; Hoor eens hier, Thys, zei hy zo. Men wyf
schrikt tegens de rusie van 't slaan, en 't zou ook nergens
anders kunnen geschieën als in de winkel, en dan zou
alles overhoop moeten; en jy hebt een groot Voorhuis;
Dat we 't beest by jou slagtten, wat zegje, ik zei 't
mit je maken, jonge, dat het wel is. Daar sprak een
Engel uit zen mond. Hy zou me niet beter na men zin
gepraat hebben, al had hy teugen me gezeid, Tki/s daar
is een daalder. Toe nou den dag gekomen was, daar ik
zo na verlangt had dat ik 't niet zeggen en kan, had ik
de heele nagt geen oog kunnen toedoen, en toe het nog
pikdonker was, en eer de drommel zen schoenen an had,
tee ik al op een pad, om zelfs de koe uit de wei, die een
goed uur van hier is, te gaan halen, en hoewel ze eerst
teugen den avond kon geslagen worden, was ze voor thie-