Boekgegevens
Titel: Prozastukken voor de hoogste klassen van 't gymnasium
Auteur: Bosch, J.H. van den
Uitgave: Utrecht: H. Honig, 1896
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 08-239
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202619
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Bloemlezingen (vorm), Leermiddelen (vorm), Bellettrie (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Prozastukken voor de hoogste klassen van 't gymnasium
Vorige scan Volgende scanScanned page
375
van de zomer; want ik liet braaf wat in den rook han-
gen, heel wel van voer; Maar je weet ook, dat ik van
de zomer twee van men Dogters heb uitgetrouwt, en
dat men oudste Jonge na Oostinje is gebruit, zo dat we
nouw zo veel vleesch niet wel urberen zouwen kunnen,
en dat we an een knap half beesje ruim genoeg zouwen
hebben; Nouw heb ik al met Gerritbuur de knoopma-
ker van de zaak gesproken, die wil wel een voet van
een beest slaan, maar de andere voet weet ik nog niet aan
de man te helpen. Maar hoor, Thys, ik heb gedogtdatjy
wel zou doen van em te nemen. Je zou je leven niet ge-
loven jonge, hoe goed koop dat men 't vleesch eet als 't
een beetje wel uitvalt, en hoe pleisierig 't is 's winters
wat in de kuip te hebben. Dat is wel waar, Baas, ant-
woordde ik hem, met de eene hand in 't hair, je hebt
daar wel gelyk in, maar daar is hier een klein itempje,
ik heb zo veul gereed geld niet, en 't betalen is de bood-
schap; wat zwarigheid, jonge, zei hy so, ik selt je wel
verschieten, en as ik je 's weeks wat oftrek, zei je 't niet
eens voelen. Ik moet je ook zeggen, zei hy zo, dat myn
gewoonte is een beest in de wey te kopen, van een ze-
ker man die men altijd wel gedaan heeft; ik moet 'er en
Sondag eens op af gaan, en ik zei je mee nemen, want
ik heb gehoort dat je vaar een beenhakkers knegt is ge-
weest, zo dat ik geloof, dat j' er ook al wat verstand van
moet hebben; Zo gezeid, zo gedaan, we slenderden 'er heen
voor dag en voor dauw; 't Was een welgestelde Boer, die
de beesten toekwamen, en eer we na de wey gingen
tracteerde hy ons nobel, zo dat we al een halve roes had-
den, toen we de beesten gingen bekyken. Hy wees ons
ten eerste een zware koe, met een dikke kop, en grove
poten, die 'er anders op 't oog wel uitzag, en schrikke-
lyk dik was, maar behalven dat den boer 'er geen duit
minder, als veertien pond, veur eischte, dogt me, toen ik