Boekgegevens
Titel: Prozastukken voor de hoogste klassen van 't gymnasium
Auteur: Bosch, J.H. van den
Uitgave: Utrecht: H. Honig, 1896
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 08-239
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202619
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Bloemlezingen (vorm), Leermiddelen (vorm), Bellettrie (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Prozastukken voor de hoogste klassen van 't gymnasium
Vorige scan Volgende scanScanned page
374
nouw en dan 's avonds eens een kannetje bedelaars bier 'er
in zetten, maar 't beurt me zelden dat ik boven een half
pintje jenever op eene reis nuttig, en daar weet ik al zo
veel van als of ik een glas water'er binnen had geslagen;
Wat nouw 't waarnemen van myn tijd aangaat, zalje ge-
lieven te weten, dat, gelyk men altyd niet blokken kan, ik
door de bank Saturdags 's middags en Sondags met zom-
mige hupsche kameraats me wat verdiverteer, en binnen
of buiten de stad eens onder een kloddertje, dat tog 't
beste koop is, en 't verste strekt, een belbruidje, of een
jasje speul, maar ik kan je zeggen dat ze, 't geen ze daar
mee van me winnen, wel verby de schout zen deur meu-
gen dragen, 't Maandagje knoop ik 'er ordinaar nog aan,
maar 't beurt zelden, of 't most op zommige durpen juist
kermis wezen, of ik ben Dingsdags 's middags weer op
de winkel en aan 't werk, zo dat ik, verstaaje wel, de
eene week deur de ander nog wel een gulden of vyf win,
zonder te rekenen dat ik in huis nog wel eens een paar
schoenen of muilen voor een goed vriend lap. Daar by
verkoopt men wyf wat koflfy, thee, gaaren en lind, en hoe-
wel de neering slap is, zo schiet 'er nog al een stui-
vertje op over, zo dat we met onze twee kinderen, neffens
onze buren, aan de kost kunnen komen. Je zeld misschien
me vragen wat jy daar mee te doen hebt, maar hebt maar
een amering patientie, en je zeit wel zien waarom ik je
dat alles zo van stukje tot beetje verteld heb, en waar
ik heen wil; Je zult dan gelieven te weten, dat wanneer
ik een week of zes geleden, een deuntje op de winkel
zat en zong, (want 't is met myn lugt hart en treurt
niet, al zeg ik het zelf,) men Baas tegen me zei, zwyg
eens stil Thys, zei hy zo, ik moetje, versta je wel, eens
wat zeggen, terwyl 't me nouw in 't hoofd komt, zei
hy zo; Je weet dat ik alle jaar een heel beest plag te
slaan, en dat ik daar de heele winter, en een goed stuk