Boekgegevens
Titel: Prozastukken voor de hoogste klassen van 't gymnasium
Auteur: Bosch, J.H. van den
Uitgave: Utrecht: H. Honig, 1896
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 08-239
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202619
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Bloemlezingen (vorm), Leermiddelen (vorm), Bellettrie (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Prozastukken voor de hoogste klassen van 't gymnasium
Vorige scan Volgende scanScanned page
363
kniewerk voor niemand gezwicht zou hebben." „Dan heb-
je," viel ik hier op in, „naar alle apparentie al een talryke
familie." „Nou zien ik wel," schoot de Huisman my al grim-
lachende toe, „datje weinig of geen ommegang met de
konstbroeders hebt gehadt, en je ook niet veel op de fiso-
nemie verstaet, want ik ben noch ongetrouwt, en heb geen
kinderen, of je most iemands treffelyke werken voor zen
kinderen houwen, dat zou noch gaan meugen.
Held Epaminondas had zulke dochters twee:
De slagen, die hg tvon te Luiktre en Mantinee."
Hier op vroeg ik hem: „wie verstaat gy door de konst-
broeders?"
„Die van de aaloude vrye gebateseerde Redenkamers,"
kreeg ik tot bescheid, „gelijk wer één in ons Dorp hebben,
waar van ik al vroeg een lid, en naderhand Fakteur, Prins
en Keizer ben geweest, en, al zeg ik het zelfs, niet zonder
lof. Ik zouje noch al wat pryzen kennen vertoonen, die
de kamer an me refereinen verschuldigt is; Ik heb ook nou
en dan als Broertje wel eens met de kap geloopen; maar
jy verstaatje die dingen niet zien ik wel; de Rhetorika is
nou te veracht, als dat de Heerschoppen zich daar an zou-
wen laten gelegen leggen; de ouwe weldaden worden ver-
geeten, want immers, dat zelje niet ontkennen, dat we
een groot deel an 't werk van de Riffermatie hebben ge-
had; zoje een man van stuidie bent, hebje dat wel meer
als eens geleezen."
„Zoude ik niet?" gaf ik hem tot antwoord, „ik weet zeer
wel, dat uwe overoudvaders met meerder recht daar op
roemen mogen dan de beeldenstormers, die, volgens het
oordeel van alle gematigde Schryvers, ten hoogste straf-
waardig door hunne blinde drift, en buitenspoorige moedwil
bynaar oorzaak zyn geweest, dat zo een heilzaam werk als