Boekgegevens
Titel: Prozastukken voor de hoogste klassen van 't gymnasium
Auteur: Bosch, J.H. van den
Uitgave: Utrecht: H. Honig, 1896
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 08-239
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202619
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Bloemlezingen (vorm), Leermiddelen (vorm), Bellettrie (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Prozastukken voor de hoogste klassen van 't gymnasium
Vorige scan Volgende scanScanned page
360
een geduurige aangroei van de tederste gemoeds-bewee-
gingen. Ze wierden allengskens vervuld met traanen, niet
meer van razerny; maar van berouw en liefde; zonder een
woord te spreeken, vliegt zy haar man om den hals, blyft
als een klis aan zyne leeden hangen, en besproeit zyn
aanzigt met haare traanen, gemengd met de zynen. Zy
laat hem eindelyk los om zig voor zyne voeten te werpen;
Dog daar in door hem weerhouden, en weder in zyne ge-
strengelde armen gedrukt, barst zy uit in deeze tedere,
dog door haare snikken geduurig afgebrokene, woorden.
Ik van u scheiden, myn Lief? ik van u scheiden ? duizend-
maal liever wäl ik de dood van uwe hand ontfangen. Ik
beken het, ik ben uw liefde niet waardig, maar, wat ik
u bidden mag, schryf myn groove misslag aan myne kin-
deragtigheid, en niet aan kwaadaardigheid toe. Jaa myn
Engel, ik voel het, ge hebt in alles gelyk, gy moet mees-
ter in uw huis zyn, en voortaan zult gy het zyn, en ik
neem vastelyk voor, myn eer, en geluk te stellen in u met
de gewilligste onderdanigheid te gehoorzamen en te be-
lieven ; Ik ben niet alleen uw vrouw, maar ook een zottin,
die zig zelf niet weet te regeeren; dog die voortaan hoopt
wys genoeg te weezen, om graag van uwe redelykheid in
alles af te hangen. Om Gods wil, myn Lief, maak'er staat
op, en laat de minste verontwaardiging in uw teder hart
voor my niet overblyven, laaten myne opregte traanen
van berouw, en een inschikkend medelyden voor myne
bedroefde swakheid al dien indruk volmaaktelyk wegne-
men. Ik bid en smeek u de goedheid te willen hebben
"van nog een andere weldaad hier by te voegen; gy doet
kwalyk, myn tweede Leeven, geringe fouten in my over
het hooft te zien, ik ben niet wys genoeg voor deeze uwe
zagtzinnige verdraagzaamheid; Wat ik u bidden mag, laat
dog geen de minste misslag in my voorby gaan, uit vrees,
dat 'er grooter uit mogten spruiten. En gy, Mynheer, ver-