Boekgegevens
Titel: Prozastukken voor de hoogste klassen van 't gymnasium
Auteur: Bosch, J.H. van den
Uitgave: Utrecht: H. Honig, 1896
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 08-239
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202619
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Bloemlezingen (vorm), Leermiddelen (vorm), Bellettrie (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Prozastukken voor de hoogste klassen van 't gymnasium
Vorige scan Volgende scanScanned page
357
verstandig Man is, en middelerwyle met my in een ernstig
gesprek zig had ingewikkeld, was nergens na zo omzigtig
niet, en in 't schenken raakte nu en dan al een drupje
op het tafellaaken, 't welk t'elkens Mevrouwtje deed schrik-
ken, en de zelfde gebaarde maaken, als of haar iemand
onverhoeds gekneepen, of met een naald had gestooken;
tot dus verre vergenoegde zy zig met op 't spoedigste op
ieder drupje wat zout te wryven, Mynheer maakte het
eindelyk zo bont, dat zyn liefste met een vriendelyke mis-
noegtheid hem verzogt wat agt te geeven op 't geen hy
deed, en zo niet te storten. Heel wel kind, was 't ant-
woord, 't is een ongelukje, ik zal 'er in het toekomende
beeter zorg voor draagen. Dog dat zorg draagen ging zo siegt
in zyn werk, dat Mynheer, met de fles een vol geschonken
glas eventjes aanrakende, een gansche gulp daar uit deed
vliegen. Zulks deed 't vrouwtje al haar gedult eensslags
verliezen, en in deeze woorden met half betraande oogen
uitbarsten: 't Is immers, Mynheer, of je het doed om my
spyt aan te doen, 't is 't beste tafelgoed dat ik in de waereld
heb; maar 't is heel wel, je kond gasten nooden zo dikwils
als 't u gelieft, maar ik beloof het u ik zal 'er de tafel
naar laaten dekken; de zelfde zin drukte zy verscheidene
maaien uit met een onbegrypelyke vloed van woorden, die,
volgens der vertoorende Vrouwtjes welsprekendheid, op
tienderhande wyze 't zelfde betekenden; Naa dat myn Vriend
dit spits uitvaaren eenigen tyd met de koelste bedaardheid,
en zyn Vrouw sterk in 't gezigt ziende had aangehoord,
neemt hy de fles in de hand, en met de zelfde calmte van
gemoed, plengt hy de wyn 't gansche tafellaaken over
voor my, voor zyn Vrouw, voor zig zelf, en wanneer hy
dagt het zelve aan alle zyden genoeg besproeit te hebben,
zette hy de flesch weer koeltjes neder. Gy kunt wel den-
ken, Mynheer, dat zulks geen wynplenging in een Zoen-
offer was, 't was zo ver daar van daan, dat Mevrouw