Boekgegevens
Titel: Prozastukken voor de hoogste klassen van 't gymnasium
Auteur: Bosch, J.H. van den
Uitgave: Utrecht: H. Honig, 1896
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 08-239
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202619
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Bloemlezingen (vorm), Leermiddelen (vorm), Bellettrie (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Prozastukken voor de hoogste klassen van 't gymnasium
Vorige scan Volgende scanScanned page
349
't bed? zeg, Oom, heb ik dat niet wel gemaakt? — Kostelijk,
Meid lief, hou je maar stil: waar is de Jongen? Hy lag
by haar op 't bed. Ryzig gaf hem aan myn Kajanus.
Wel, (zei hy,) daar is nog niet veel raars aan; maar er zit
een regte Zeeman in! magtig, wat kykt hy! Hoor, Wyf, als
ie me nog eens zo een Jongen geeft, zal ik een huis als
een Kasteel voor je hiiuren, alleen om het schoon te maaken. —
Kom, van kwasten, (zei ik,) altyd legjetesokkeeren; maar
je bent toch de ergste nog al niet. Daatje gaf hem haar
hand uit het bed. Neen, schoon kind, (zei hy,) ik moet je
een oud Hollandsche smak geeven. Ik lach in myn vuist,
dat je hier in deeze pronk-kamer legt. Ik mogt er nooit
verder in, dan op de voetmat, of met vilten sloffen aan. —
En toen duwde ik hem de kamer uit.
Nou altyd, des morgens kwamen hier de beide Groot-
moeders; want Ryzig was, met het openen van de poort,
naar de Stad gegaan. Zuster was stil, 't was of zy
schreidde. Mevrouw Ryzig zag zo statig en zo deftig,
dat de myne de nyd kreeg: maar toen zy het kind gezien
had, wierd het wat beter. En Zuster zei: „dat zy nooit
kon vergelden, wat ik aan haar kind gedaan had." Maar
dat kan er niet door: wel, er is leven en dood mee
gemoeid, en Freryk wierd nydig, om dat zy daar zo over
was. Al was 't een wild vreemd, |(zei hy,) wy hadden
zo een Vrouw hier gehouden; en daar sprak hy de waar-
heid aan.
Maar Juffrouw, nu zyt gy zelf een Leeraars Vrouw;
doch had gy dien zegen wensch gehoord van Moeder Ryzig,
toen de Baker haar het kind gaf! Het leek wel een
kappittel uit het Woord; en Freryk stond met zyn hoed
voor zyn oogen, en ik was er zo klein onder. Ik dagt,
lieve God, wat ben ik toch by zo eene Vrouw? een
onweetend stuk vleesch; en met myn zwaare huishouding
kan ik zo zelden onder de middelen komen! zo dat ik