Boekgegevens
Titel: Prozastukken voor de hoogste klassen van 't gymnasium
Auteur: Bosch, J.H. van den
Uitgave: Utrecht: H. Honig, 1896
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 08-239
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202619
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Bloemlezingen (vorm), Leermiddelen (vorm), Bellettrie (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Prozastukken voor de hoogste klassen van 't gymnasium
Vorige scan Volgende scanScanned page
SiS
weer onder dak komen. — Maar Man, zei ik; maar ik
kon geen slag aan den bak krygen. — Dat is goed, hebben
wy hier zo een sjouwtje! zie, ik hoor liever een schreeu-
wenden jongen, dan dat geduivel met boenders en schrobbers;
de eerste, die begint, zal ook voor de mast.
Daar kwam do wyze Vrouw. Hy taste in zyn zak, en
zei: daar Grietje moer, dat is een present voor jou, om
dat alles zo wel is afgeloopen. Hy gaf haar een Ryer of
een ding, geloof ik; nu, daar breek ik myn hoofd niet
mee. Daar kwam Ryzig ook voor den dag; en de myne
klapte hem, met een Zeemans-wensch, die ik zo aan geen
Leeraars Vrouw schryven kan, in de hand. Is het scheepje
zo wel afgeloopen. Baasje? Jy zult weer klandisie hebben.
Wel, ik ben zo bly, of ik zelfs Vader geworden hen. Hier
Griet, hier Fy, hier Betje van hier naast; kom kinderen,
ik zal je lui allemaal tracteeren; de welkomst van den
kleinen jongen Heer moet gedronken worden: Pypen, Tabak,
alles moet er maar ten eersten zyn. Hy begon te zingen;
De wind is goed, het is mooi weer;
De boot is klaar; tree in, myn Heer.
Maar ik deed hem zwygen; want de Man was, of hy
zestig was: en hy had nog geen druppel geproeft. Neef
Ryzig had veel met hem stellen. Hoor, Ryzig, (zei hy,)
de Jongen zal Frederyk Meten; of ik ben hoos op je. Wat
kon Neef zeggen? Hy overschreeuwde ons alle bei. Wat
hen ik bly, dat het geen Meid is! het zou net zo een boe-
zelaarster zyn als myn Wyf; want het huis is, geloof ik,
hesmettelyk. Ik denk, dat zy my, als ik dood ben, alle week
uit myn kist zal neemen, om my wat aftestoffen en te luchten:
maar waar is de Jongen? — Wel, (want ik grapte er zo
eens onder,) in myn zak. Wat zal men doen? de Man is
niet anders. Wy gingen in de kamer. Daatje riep van