Boekgegevens
Titel: Prozastukken voor de hoogste klassen van 't gymnasium
Auteur: Bosch, J.H. van den
Uitgave: Utrecht: H. Honig, 1896
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 08-239
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202619
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Bloemlezingen (vorm), Leermiddelen (vorm), Bellettrie (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Prozastukken voor de hoogste klassen van 't gymnasium
Vorige scan Volgende scanScanned page
24
„"Wel waarin munt zij niet uit ?" riep Vondel met geest-
drift: „als ik haar zie, dan herinnert zij mij in allen deele
mijn Alkmaarsch weêuwtjen, toen Tessel nog de trekpleister
was, die ons allen naar 't huis van vader Roemer Visseher
bracht."
„Stil!" zeide Vossius: „laat mijn dochter niet hooren,
dat gij haar bij Tesselschade vergelijkt: gij zoudt haar
verwaand maken, en dat is zij, Grod dank! tot heden nooit
geweest."
„En toch had zij er reden toe," vervolgde Vondel, half-
luid sprekende, „wat toch, wat is er, dat haar geest of
haar handen niet volbrengen? Zie eens mijn Heer Winius!
die wassen vruchten, door haar geboetseerd. Is het niet,
of de dauw eerst versch op die druiven en persikken neder-
viel: — zie dat tapijt, over gindsche tafel gespreid, en
dat Paris oordeel voorstelt. Is het niet of het met de
penceel in stede van met de naald gewerkt is?"
„En is dat alles van juffrouw Korneliaas hand?" vroeg
Winius.
„En, naar hare teekening," vervolgde Vondel: „zie!
als er nog gouden appelen aanwezig waren. Paris zoü niet
verlegen wezen, aan wie ze te schenken. Is Mejuffer
Kornelia schoon als Venus, zij is geleerd en kunstrijk als
Pallas, en. . .
„En gij zult haar hoovaardig als Juno maken," viel
Vossius in: „zij is een goede huishoudster, en een goede
dochter en dat zegt meer dan al het overige."
„Gij ziet het," zeide Vondel met een schalkschen lach
tot Winius: „haar vader verbiedt mij, in haar lof uit te
weiden, en kan 't zelf toch niet laten, haar te prijzen."
„Vondel! Vondel!" zeide Vossius, den vinger dreigend
opheffende: „ik ontzeg u mijn huis, indien gij niet ter-
stond van onderwerp verandert."
„Ik zwijg," zeide Vondel, „en beloof zelfs, geen woord.