Boekgegevens
Titel: Prozastukken voor de hoogste klassen van 't gymnasium
Auteur: Bosch, J.H. van den
Uitgave: Utrecht: H. Honig, 1896
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 08-239
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202619
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Bloemlezingen (vorm), Leermiddelen (vorm), Bellettrie (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Prozastukken voor de hoogste klassen van 't gymnasium
Vorige scan Volgende scanScanned page
347
my doen zou, zo was hy aangedaan. Daatje hield zich
kostelyk, dat moet ik zeggen, al was zy myn ergste
Vyand; (maar die heb ik niet, dat ik weet.) De wyze
Vrouw kwam, en in een amerei was alles klaar. Tegen
den avond kwam onze Freryk t'huis. (ïeen Baas, geen
Moeders; de - poort ging toe; en de Baas zei, dat hy
niemand had t'huis gevonden, en daarom niets gezeid
had, want hy had geloopen als een andraager, om nog
buiten te zyn. Nu moest je den mynen gezien hebben.
Wat hagelsteen, zei hy, (ja, dat vloeken kan ik er niet
uitkrygen,) is hier te doen? Hoe zit de takelagie zo ver-
duiveld in de war? Is er onraad aan hoord? —■ Zwyg
(zei ik,) met je kramers latyn, en laat my spreeken: jen
Nigt Ryzig loas hier; je weet, zy hield altyd veel van Tante
Martha; en die goeije sloof kivam hier met Neef; en nu
heeft de Heere het zo bestierd, dat zy hier bevallen moest
van een schoonen Jongen. Hy sprong wel zes voet agter
uit: Wyf, (zei hy,) hen je nou weer heelemaal gek? Rydje
de witkwast, of maaltje de geest? — Ik zei: het is niet
anders, en hou je groote mond maar wat digt. — Kom,
(zei hy, en hy zette zyn hoed op,) dat is goed, dat is
hestig; het is hier al lang zo dood stroom geweest, dat ik
al lang gewenscht heb, dat er zo eens een aartigheidje voor-
viel. Is alles wel, dan moet er een glaasje puik puik zyn;
takel maar af van den Rynschen blekert. Als er geen
Kimleren kwamen, was al de pret idt de tcaereld. Zeg,
Wyf, hoe lang is 't geleeden, dat jy die grap de laatste maal
in je hoofd, had? Wel, wel, dat is nu net een kolfje naar
myn dikke Moeders hand. Zeg, Wyf, denkje niet, dat je
nu zelf Grootje bent? Nu is er icat te vinken; en ik mag
dit wel eens zo graag zien, als dat satans geraas en geveeg.
He Kraamvrouw moet stilte hebben; en de eerste, die nu
in zes weeken een luiwagen, of hoe hiet zo een ding, in
zyn poot neemt, die jaag ik het Hek uit, en zy zal nooit