Boekgegevens
Titel: Prozastukken voor de hoogste klassen van 't gymnasium
Auteur: Bosch, J.H. van den
Uitgave: Utrecht: H. Honig, 1896
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 08-239
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202619
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Bloemlezingen (vorm), Leermiddelen (vorm), Bellettrie (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Prozastukken voor de hoogste klassen van 't gymnasium
Vorige scan Volgende scanScanned page
346
wel zeit. Ik dagt, ja wie weet, wie God de Heer myn
jongen nog heeft opgelegd; en ik hoop niet, dat die aan
my zal t'huis zoeken, dat Neef Willem om zynent wil het
huis uitmoest. Het is nooit met myn zin geweest. Ik ben
evel zyn Tante, en geen gevonden maagschap: want onze
Gerrit is myn halve Broer, myn lieve Juffrouw! En die
is evel met Willems eige Moeder getrouwd. Terwijl ik
een glaasje Rynsch inschonk, en zat te murmureeren in
my zelf, zie ik wel, dat Ryzig rust noch duur heeft;
maar ik dagt, zo zyn de Mans. Ja! zo menig een Frans-
man! Ik kyk op, daar was Holland in last, daar was
goeije raad duur. Zy kreeg zulke pynelyke trekken, en
wierd zo dingsig en bleek. Hoe, wat is dat? zei ik. Zy
haalde haar schouwders op. Ryzig ontstelde; hy stond
eerst als de stomme stiene Roeland, (die nu evel wegge-
brooken is, zo als onze Fy my verteld heeft.) Toen was
het: waar is de koets"? waar is dit? waar is dat?
en hier en ginter, en Wyfje lief, en veel vyven en zessen,
zo als de Mans bennen. Tante. Stil, (zei onze Daatje,)
sloof je maar zo niet uit; de koets is naar de stad, en
ook, lieve Tante, ik weet niet, of ik hier niet zal moeten
blyven. Ik verstond dat woord; en ontstelde zo, dat ik
een kelk om storte. Kom, Neef, (zei ik,) draag haar
maar in deeze kamer, dat zal maar best zyn. Hy deed
zo, en alles ging nog al. Ik je daar op het Hek uit, naar
Buurvrouw hier over; en de baas uit de Gortery zou zo
dryvend zyn paerd ophaalen, en in de stad by de Moeders
gaan zeggen, hoe de boel hier zat. Ik nam Buurvrouw
mee; en Betje van hier naast, dat een zoet nuffelije van
een Meisje is, nam ik ook waar; en voor dat onze wyze
Vrouw er was, was er een Jongen als een blok. Alles
was wel, en het Kind wierd in myn luiermansgoed opge-
bakerd. Mensch, ik wist niet, of ik op myn hoofd, dan
of ik op myn voeten ging. En Neef wist niet, wat hy