Boekgegevens
Titel: Prozastukken voor de hoogste klassen van 't gymnasium
Auteur: Bosch, J.H. van den
Uitgave: Utrecht: H. Honig, 1896
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 08-239
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202619
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Bloemlezingen (vorm), Leermiddelen (vorm), Bellettrie (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Prozastukken voor de hoogste klassen van 't gymnasium
Vorige scan Volgende scanScanned page
345
mensch, zo als de Schrift leert. Een kwaaije Vrouw is een
duivel in huis, maar een ziek verkouwen zwaariyvig Man
is wel een duivel in huis en in zyn bed; vooral als het
zulke vliegende Merkuriussen zyn als de myne, die geen
rust noch duur hebben, dan in het koffyhuis, of in de
Boterton; en zyn zy t'huis, dan kunnen zy wel zes Meiden
werk geeven; zo dat, nu hy weer uitging, ging ik weer
aan 't schoonmaaken, 't luchten van de bedden, en liet
myn huis braaf doorwaijen; want zie. Tante, ik ben een
vyand van die dampen en reuken; die menschen geur
moet er zo schoon weer uit; 't is anders by my maar
kladdebotteren. Nauwlyks ben ik schoon, en zit op myn
stoel, met myn almenak in myn hand, uittereekenen,
wanneer ik myn halfjaars wasch stuuren zal, voor dat ik
aan de groote schoonmaak ga: want er zyn nu geen
haanenbalken geschuurd, of niets gewit: of zie, myn lieve
Juffrouw, wat er gebeurt. Daar komt Neef en Nigt Ryzig
uit de koets; daar zat ik toen, met myn Evaatje nog
voor, zo als men buiten loopt: ik was in de stilte. Neef
zyn Vrouw zeide, dat zy my voor 't laatst nog eens kwam
bezoeken, en een kopje thee drinken. Wel, kinderen, (zei
ik zo,) 'tis of je uit de lucht valt; wel, je hent ter deeg
welkom. En Daatje was zo vrolyk als een vogel, en
'twas magtig.
Onder het thee drinken praatten wy zo wat over koetjes
en kalfjes. Het stout Ding wippelde nog eens in den tuin,
en Ryzig haar na. Zo gingen zy gearmd, heel lief, en zy
kwelde hem ergens mee: maar ik mag zo niet luisteren;
dat staat niet. En ik dagt ook nog aan myn jongen tyd,
toen ik van myn eerste kind om de boodschap moest, en
myn gemoed schoot my puur vol. Hy was zo bezorgd voor
haar, dat ik, die niet veel tyd heb, om een goed boek in
myne handen te neemen, daar heel van gesticht was:
want daar liefde woont, daar woont God, zo als Salomon