Boekgegevens
Titel: Prozastukken voor de hoogste klassen van 't gymnasium
Auteur: Bosch, J.H. van den
Uitgave: Utrecht: H. Honig, 1896
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 08-239
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202619
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Bloemlezingen (vorm), Leermiddelen (vorm), Bellettrie (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Prozastukken voor de hoogste klassen van 't gymnasium
Vorige scan Volgende scanScanned page
344
martha de harde aan Mejuffrouw heftig.
Het hart, zo als het spreekwoord zegt, wil een klager
hebben; hier elf oogen. Ik heb wel niet veel tyd met
myn huishouwing; maar, zo als ik zeg, ik moet myn
nood klaagen. Tante lief. Ja wel, waaragtig, (dat ik nog
zo zondig aan een Leeraars Vrouw schryf!) naauwlyks is
men uit de eene zwaarigheid, of de andere ligt al voor
de deur. Zou er wel een toeval in de waereld gebeuren,
dat in myn huis geen drukte gaf? Ik weet althans niet,
waar de menschen deu tyd van daan haaien, om uittegaan,
of te zitten leezen. Nu, het huishouwen is goedertieren;
het laat zich van elk regeeren. Dat staat laat op; elf
uuren dag of geen; dan zwerft de koffytafel nog tot één
uur over den vloer; dat eet laat, dat slentert naar't Oud-
manhuis, en op thee-bezoekjes; dat takelt zich naar den
nieuwsten snuf toe; dat kapt zich een el in de hoogte.
Nu, ik wilde de hoeken daar wel eens uithaalen! het
doet my niet vreemd, dat er zo veel kantoeren springen;
en wat ik doe, ik geef geen geld op posito, al zag de
Man er zo bedest uit als een burgerman, en al was hy
een Burgemiester van zyn hals. 'tIs waar, in een anders
boeken is het duister te leezen. Ik bemoei my nooit met
een anders zaaken. 't Zou my leed doen, dat ik iemand
te na sprak. En ook Duuren is een schoone Stad, en
Kortryk ligt er digte by. Zo dat, Juffrouw Heftig, om
tot de zaak te komen, moet ik zeggen, dat gy een gat
in de lucht zult slaan, als gy het hoort. Wat komt my,
ouwe Vrouw, al over? Ja, ja, het staat elk niet voor
zyn voorhoofd geschreeven, wat hy ombrengt.
Kom aan! Daar is onze Freryk pas weer beter, waar
voor ik den lieven Heer hartlyk dank; want men zeit wel
eens wat in drift; want een mensch is toch maar een