Boekgegevens
Titel: Prozastukken voor de hoogste klassen van 't gymnasium
Auteur: Bosch, J.H. van den
Uitgave: Utrecht: H. Honig, 1896
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 08-239
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202619
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Bloemlezingen (vorm), Leermiddelen (vorm), Bellettrie (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Prozastukken voor de hoogste klassen van 't gymnasium
Vorige scan Volgende scanScanned page
340
Heidenen waren, heel langwerpig uit, wie of al de vrien-
den zo al waren, zo als de Slang, en wie er meer in
behaald worden; en die onderrichting wierd besloten met
een: het is stichtelyk, dat moet ik zeggen. Toen het stukje
ons gister avond wierd t'huis gezonden, (want het is uit
wandelen geweest; nu, dat kun je wel denken!) wilde
ik het u terstond laaten brengen; maar Mama begreep,
dat dit juist zo een haast niet had; nu, dat was wel;
maar my uit dien hoofde een knegt te weigeren, was zo
goed niet. Ik zei nog al: Beden, Mama, gy wilt altyd,
dat wy naar de schrift leeven; wat heeft Abrahams knegt
wel verre boodschappen gedaan voor zyn jongen Beer, en
dat by avond en onty. — Dat was een ander geval. Dog-
ter; en ik hou er niet van, dat men zo los over de Schrift
loopt. Al is het maar een Buisselyk voorval; het staat
toch in den Bybel. Myn knegts zyn ook zulke dingen niet
gewoon. Zo dat Tante Martha heeft wel gelyk, als zij
zegt: dat men nu niet half zo veel van de Booijen kan
gedaan krygen, als in de oude tyd. Weet gy wat. Piet?
Ryzig zal het u morgen, als hy tyd heeft, zelf brengen.
Maar hoe zit het ? Je moet myn Bram niet bederven door
uwe opstookingen? Ik laat hem ook zo by u; en gy zyt
toch regt kwaadaartig ook.
Zeker, ik heb het niet naar myn zin! Het is my hier
veel te doodsch, te eenpaarig. Zeker, ik moest met zo een
degelyk Man niet getrouwd hebben; en dan die eeuwig-
staatige Schoonmoeder! Met Ryzig moet ik het altyd ver-
liezen. Van zyne Moeder! ó daar ben ik bang voor. Ik
moet evenwel iemand hebben, die ik zo wat kwellen kan.
De bedienden ? Dat zou ik my schaamen, want het zyn zeer
goede weezens, geloof ik; en de heele kudde ziet er zo bejaard,
en zo Voetiaansch, en zo Sabbats uit, als Mevrouw zelf.
Was Kajanus maar by 't gewormte, dan nam ik Tante
voor myne Juffrouw van gezelschap, en ik had wat weer-