Boekgegevens
Titel: Prozastukken voor de hoogste klassen van 't gymnasium
Auteur: Bosch, J.H. van den
Uitgave: Utrecht: H. Honig, 1896
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 08-239
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202619
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Bloemlezingen (vorm), Leermiddelen (vorm), Bellettrie (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Prozastukken voor de hoogste klassen van 't gymnasium
Vorige scan Volgende scanScanned page
339
moeite het bovenste der pagina kan bereiken; een kapittel,
denk ik althans, uit Levitieus, vyant op die hoogte is het
Boek opgeslagen. — Morgen, Mama! — Mama antwoordt
niet, voor het kapittel der reiniging uit is. — Morgen,
Dogter*! Dan komt de knegt, (ook een familiestuk,) zwygt,
neemt het Boek, en brengt het, daar hy het gehaald heeft.
Zie nu Tante de Hardes Brief in, op het geen er met
Mama zo al voorvalt in het huishoudelyke; beter kan ik
u dat niet beschryven .... Wat is 't nu weer? ik ben
weer pas aan 't krabbelen. — Vrouwtje, hen je hoven? —
Wat zou dat dan? — Is dat een antwoord? — Nu ja, ik
hen hoven. Hy blyft al aan den trap staan gieren: Geef
my schoon linnen, ik moet naar de Beurs. — Och, altyd
dat gemaal. Ik kryg het, en smyt het heele boeltje de
zindelyke trappen af. — Is my dat het goed naar den kop
smyten? toe, je moet eens afkomen, om my te helpen. —
Heb je geen knegts en meiden genoeg ? — Meer dan te
veel, maar gy moet my eens helpen. — Dan kom ik, en
help, maar.... zo wat onhandig.
Dat gaat zo dag aan dag, dan wat erger, dan wat be-
ter. En ik zie er niet veel beterschap aan. Wy verschillen
te veel. Scheiden zal best zyn, dunkt my. (Was ik maar
zo rekkig niet!) Wy zyn 't nooit eens. Wy gonzen, en
morren, en grommen over alle beuzelingen, al was het
ook over het snuiten van de kaerssen. — Voor ik deezen
sluit, het volgende nog. Hier nevens eindelyk het Vaers
van den Schoolmeester. Het heele ouwe Testament is er
in. De Duivel, de Slang, Adam en Eva, de waare Kerk,
de Arminiaansche Leer, enz. enz.; en alles wordt stich-
tingshalve op ons huwlyk toegepast. Ryzig en ik scherts-
ten er zo wat mee; Mama verzogt om het Gedicht te
leezen. De bril op, de houding als een pilaar. Zy gaf het
weerom, met een: Kinderen, is dit nu iets, om zo over te
lachen? Toen leidde zy ons, even of wy zo een paar bhnde