Boekgegevens
Titel: Prozastukken voor de hoogste klassen van 't gymnasium
Auteur: Bosch, J.H. van den
Uitgave: Utrecht: H. Honig, 1896
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 08-239
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202619
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Bloemlezingen (vorm), Leermiddelen (vorm), Bellettrie (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Prozastukken voor de hoogste klassen van 't gymnasium
Vorige scan Volgende scanScanned page
23
allen, die ik tot nog toe hoorde spelen en die hem hun
bekwaamheid dank wisten, is er naar mijn ^jpclon on die
oordeel niet een, die 't haalt bij den man, wiens kunstig
spel mij gisteren avond in verrukking bracht,"
„Is het waar. Vondel!" vroeg Van Baerle, „dat gij een
bijschrift hebt gemaakt voor het afbeeldsel, 'twelk Jan
Lievensz van meester Dirk vervaardigde?"
„En mogen wij het hooren?" vroegen drie vrouwe-
monden, na dat Vondel een bevestigend antwoord op de
vraag had gegeven.
„Och waarom niet?" zeide Vondel: „zoo ik mij wel
herinner, luidt het aldus:
Op Diedrick Swelinck,
Orgelist van Amsterdam.
Aldus heeft Livius ons Swelinck afgebeelt,
Maer niet zijn fenixgalm, uit 's Vaders asch geteelt.
De Neef, de Grootvaêr en de Fenix vader zongen
Een eeuw den Aemstel toe met hemelsche orgeltongen.
Zoo Thebe door een lier tot zulck een wasdom qnam,
"Wat zou men dichten van het orgel t' Amsterdam,
Daer David en Orlande om strijt zich laten hooren.
Als Diedrick zielen vangt, en ophanght by hun ooren.
„Wel is 't," zeide Winius, „zoo als de heer Van den
Vondel in zijn stoute beeldspraak zegt: de muzyk van
Swelinck vangt de ziel bij de ooren en sleurt haar met
zich naar hoogere en hemelsche sfeeren."
„Wel! nu ik mij wel bezin," zeide Mattheus, „dan heb
ik u gisteren gezien. Ik was ook in de Oude Kerk met
mijn zuster Kornelia!"
„Uw zuster schijnt een voortreffelijke kunstenares te
zijn," zeide Winius.