Boekgegevens
Titel: Prozastukken voor de hoogste klassen van 't gymnasium
Auteur: Bosch, J.H. van den
Uitgave: Utrecht: H. Honig, 1896
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 08-239
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202619
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Bloemlezingen (vorm), Leermiddelen (vorm), Bellettrie (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Prozastukken voor de hoogste klassen van 't gymnasium
Vorige scan Volgende scanScanned page
337
looze beenen, versierd met door de jaaren ligt bruin ge-
worden witte zyden koussen; gefoezelde gouden knieban-
den aan een vry kaal gesleten rooijen broek; en, of ik
het zeg of zwyg, een smeerige met kaersvet in 't fatsoen
gehouden bokkenhairige staartpruik, op het langwerpig sterk
gekaakte hoofd; en zo alles naar rato. Mejuffrouw de
Dogter, een lange waar gaaije van een slungelagtige uit-
gerekte meid; met een dunne spitze lange neus; een
Freule, die men zo by de el zoude uitmeeten; het coloriet
asgraauw, met wat slegt rood er door gesmoezeld; en
tanden zo groot, doch niet zo wit, als die van Willems
jagthond, (daar zy wel eenige trekken van heeft.) Dat lief
Poppetje was toegetakeld met alle onze oudmodische prullen
van voorleeden jaar, en had zo veel van de coquette, als
in zo een lomp stuk vallen kan: die met een malle glim-
lach my duizend complimenten en buigementen maakt. En
met die twee weezens ben ik opgescheept geweest tot
's nagts ten twaalf uuren. Ik merkte wel, dat Man lief
over my maar gansch niet te vreeden was. Toen wy naar
bed gingen, zeide ik niets; maar hy vroeg: of ik zyne
goede Vrienden altoos op die wys meende te ontfangen ? —
Ik merkte wel, waar hy heen wilde, ik zeide: ó Heer, is
't nog niet wel! Ik heb geen trek om te knorren, ik ben
dood van de vaak, H is hier middernagt. — Hy antwoordde
niets, dan: zo, goeden nagt dan: wy spreeken elkander wel
eens weer! — Dat kan wel gebeuren: goeden nagt, Ryzig.
Het is hier in 't hartje van den winter, en myn vrien-
delyke Man is te zeven uuren al in de koussen, (zeit
Tante;) nu, daar heb ik niets tegen, vast niet, van harten
gaarn: maar dan is Grootje Ryzig ook al op de proppen,
en aan 't flikjken en bedillen; ja, dan heeft zy al een paar
stoffige vingers gehaald, door het vry ven langs de stoelen,
de lustres, de commode. Me dunkt, Renard, ik moest u
zo eene morgen-conversatie eens beschryren. Het kan u
22