Boekgegevens
Titel: Prozastukken voor de hoogste klassen van 't gymnasium
Auteur: Bosch, J.H. van den
Uitgave: Utrecht: H. Honig, 1896
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 08-239
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202619
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Bloemlezingen (vorm), Leermiddelen (vorm), Bellettrie (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Prozastukken voor de hoogste klassen van 't gymnasium
Vorige scan Volgende scanScanned page
332
grootste druktens zo wat heen ben, van ons goed en klee-
ren te bergen, die men alleen by zulke gelegenheden maar
eens aandoet, zei ik zo in my zelf: ik mag de jonge Vrouw
eens een zegenbrief schryven. Een woord vervliegt, maar
letters blyven; en men Nigt is zo eene beroerde Huis-
houdster. Gy moet het my ten besten neemen, maar het
is beter, dat ik het je zeg, als een wild vreemde, zo als
Moeder Ryzig; ik ben jen Tante, zo als je zelf weet.
Ik wensch je dan alle bedenkelyke zegen in jen huwe-
lyken staat. "Want, zo als er in het "Woord staat: aan
Godes zegen is alles geleegen, en dat is waar ook. Ik
wensch je een huis vol Kinderen; en als God de Heere
die aan je geeft, dat je er dan verstand by moogt krygen,
om ze wel op te brengen, zo als jen Moeder jou deed; en
dat zy er dan wat meer naar mogen luisteren, als jy plagt
te doen; want je waart toch een stout Ezel; met verlof
gezeid. Nou, een hard hoofd, die 't beleeft; de Heere weet
wat best is, zeg ik altyd.
't Is altyd ook wat: daar ben ik nou bezig om myn
gedagten zo wat by mekaar te houwen, en eens aan het
goeje te denken, en daar komt onze Kaptein, en die gonst
en maalt, en wil met dolle geweld een Weerbruiloft gee-
ven. „Schryf dat maar, zeit hy, in jen fillifistatie-Brief.
„Wy zyn de oudste uit de familie, wy moeten voorgaan;
„en ook, ik hou heel veel van onze Daat: 't Is een stoute
„hexs, maar dat mag ik wel zien, als zy 't niet erger
„maakt. En zei hy, ik heb er daar een vereering gekogt;
„kyk, zei hy zo, een mooi ding om Soesen, en wat weet
„ik het, in te doen." Dat is allemaal wel. Kind, zei ik;
ik zal Nigt ook wat moois koopen; en is het wél van de
groote keur? „Dat weet ik niet, zei hy zo; groote keur
of kleine keur; 't is een mooi ding, en ik ga 't haar maar
„brengen." — „Ja, zei ik zo, de kosten is niets; maar ik
„word een dagje ouwer, en je weet hoe ik sukkel met de