Boekgegevens
Titel: Prozastukken voor de hoogste klassen van 't gymnasium
Auteur: Bosch, J.H. van den
Uitgave: Utrecht: H. Honig, 1896
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 08-239
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202619
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Bloemlezingen (vorm), Leermiddelen (vorm), Bellettrie (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Prozastukken voor de hoogste klassen van 't gymnasium
Vorige scan Volgende scanScanned page
331
uitloopen op Saletjes, en Thee-visites. Zie, zo zat ik te
denken, toen ik je daar zo zag zitten. En toen viel myn
oog op Neef Willem: me dagt, hy zag er zo bedrukt uit,
op jen kommesaris-maal, meen ik. Mantje, mantje, dagt
ik, wist jy, wat de klokken hier luien! je zou je zo niet
van de mallen houen! Maar ik hield my ook dom. Onze
Gerrit is zo een onverstandig vat, men durft zo nergens
eens van spreeken; en myn stuk vleesch is ook de mak-
kelykste niet, als men hem dwars voor den boeg komt.
Hy geeft zo maar de volle laag, of 't niets is; en jen
Moeder is zulk een teer aantrekkelyk Vrouwtje, dat zy
wel op vilten muiltjes dient naar onzen lieven Heers
hemel te gaan, of zy blyft onderweg nog wel leggen. En
daarom was ik regt bly, dat gy een Patertje voorsloeg;
want een mensch het geen meer plaisier, dan een mensch
zich zelf aandoet. Ik had regt lust, om die muizenesten eens
uit myn hoofd te danssen; want van joului nieuwerwets
gezweef en geschuif, en gepas, daar durf ik niet aan doen;
om dat Dominé Heftig laatst bewees: „dat Herodias, de
„Dogter van Herodes, geen eenvoudige Boerendans, maar
„wel vast een Fransche Menuet gedanst had." Ik mag
het evel, boven Dominé, boven Pompstok, graag zien. En
jy danste met Willem, dat my, begompel, de snuif er van
tusschen de vingers viel; en de myne stond ook, of hy
zo betooverd was. Wyf (zei hy,) het is toch jammer, dat
zulke dingen zonden zyn: het is toch maar mooi en aartig
om te zien. Myn gemoed schoot my ook vol, toen ik jen
Broer zo alleen zag danssen, met dat stokje onder zyn
arm; en het spyt myn Man ook magtig van Willems
Ketteryen.
Ik had wel gewenscht, dat myn Jongen een Huwlyks
gedigt op je gemaakt had; want hy kan wel aartig poëeten;
maar het was hem te teer; hy heeft je toch in zyn hart
lief gehad, dat is even zo veel. En nou ik door myn