Boekgegevens
Titel: Prozastukken voor de hoogste klassen van 't gymnasium
Auteur: Bosch, J.H. van den
Uitgave: Utrecht: H. Honig, 1896
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 08-239
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202619
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Bloemlezingen (vorm), Leermiddelen (vorm), Bellettrie (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Prozastukken voor de hoogste klassen van 't gymnasium
Vorige scan Volgende scanScanned page
330
zag zitten naast jen Man; en ik dagt zo in my zelf: (want
een mensch is toch altoos vol gedagten, Nigt!) ,Wel, lieve
„ Heer, ook al getrouwd, en dat nog zo een jonge Blom;
„je bent immers nog maar voor aan in de twintig, doe
„je niet kind? 't Is, God betert, vroeg getrouwd, dat laat
„berouwt. En als de Bruid is in de schuit, dan is het mooije
„praatjen uit: zo als het Vaarsje zeit;" Nou, je zult het
niet eerder doen, en je lui bent mekaar maar opgeleid,
wil ik spreeken; anders had Ryzig je nooit gekreegen,
dat is niet anders. En toen zag ik den mynen ook zitten;
ja, dagt ik toen, wie weet, wie of hy nog krygt, wie hena is
opgeleid. Jy hebt, zo stil als je daar zit, nog een mooi
duitje te wagten. Jen Ouwers bezuinigen het genoeg. Wie
weet, jongen, welk een klungel van een dieragie dat je
nog krygt: of zy niet alles aan haar lyf zal hangen, en
doorbrengen; zo dat er welhaast niets over zyn zal dan
een O, met een P. Wie weet, of je niet een Saletpoppetje
krygt, die je geldje in komedien en in snoeperyen zal
verbruijen. Ik denk wel eens om Betje van hier naast;
maar de jongen slagt Josef: hy het geen vaak. Nou, dat
daar gelaaten: als hy geen vaak het, kan hy ook niet
slapen. Ik zag hem evel nog graag Man en Vader: doch
dan komt het drukke levendje voor my weer aan met zen
Kinderen. Dan is Moeder goed, om op de kleinen te passen,
en heeft nooit gedaan werk; en zo blyft er in 's menschen
leven geen amerei over, om aan zyn kostelyke ziel te
denken. Zo als de geduldige Job zeit: Dat de mensch tot
moeite gebooren wordt: en voor al de Vrouwen; want de
Mannen, ik zie dat wel aan onze Freryk, zullen zich waar-
lyk niet dood werken; ofschoon zy zich geen ding meer
met hun arme ziel bemoeijen, als wy, die zwaare huis-
houwings, en altoos wat te naaijen en te stoppen hebben.
Wel Nigt, ik heb de tyd niet om eens een onnozel paar
koussen voor my te breijen; dat is goed voor die, die braaf