Boekgegevens
Titel: Prozastukken voor de hoogste klassen van 't gymnasium
Auteur: Bosch, J.H. van den
Uitgave: Utrecht: H. Honig, 1896
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 08-239
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202619
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Bloemlezingen (vorm), Leermiddelen (vorm), Bellettrie (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Prozastukken voor de hoogste klassen van 't gymnasium
Vorige scan Volgende scanScanned page
22
plaats, en weldra werd een gesprek aangevangen, zoo be-
langrijk, als men het verwachten kon op een bijeenkomst
van lieden, allen uitmuntende door vernuft, kennis en
beschaving. Op eens bemerkte Winius, tot zijn niet ge-
ringe verwondering, dat Rey in een zeer levendig onder-
houd gewikkeld was met Kornelia en haar beide jongste
broeders.
„Hoe hebben zij middel gevonden, om elkander te ver-
staan?" vroeg hij zich zeiven af, doch nu, aandachtig
toeluisterende, gelukte het hem eenige woorden op te
vangen van het gesprek, en bemerkte hij, met klimmende
verbazing, dat het in 't Latijn gevoerd werd.
Philaminte in Molières Femmes Sgavantes wilde
Vadius omhelzen, omdat hij Grieksch verstond: hier was
het geval omgekeerd en had Winius gaarne den schoonen
mond gekust, die zoo vloeiend Latijn sprak. — Gewis
zou hij, en menig ander, het ook buiten dat wel hebben
willen doen.
„Ik meen," zeide Vondel, „u gister avond mijn deur te
hebben zien voorbij gaan. Ik stond voor mijn winkel in
de Warmoesstraat. Vermoedelijk begaaf gij u naar de
Oude Kerk. Wel! hoe heeft u het orgelspel van meester
Dirk Swelinck behaagd?
„Uitmuntend,'' antwoordde Winius: „ik heb daar eenige
der gelukkigste oogenblikken mijns levens doorgebracht."
„Ja, ja," hervatte Vondel: „onze meester Dirk is een
muzykant als er maar weinigen zijn en streeft bijna zijn
vader op zijde, die de Fenix in de kunst was. Ik geloof
niet, dat er in het geheele Heilige Duitsche Rijk een stad is,
waar geen kweekeling van den ouden Swelinck woont,
die er zijn school en manier heeft overgebracht."
„Ik beken," zeide Winius, „dat ik op onderscheidene
plaatsen van zijn lof heb hooren gewagen en hem als den
herschepper van het orgel heb hooren roemen; doch van