Boekgegevens
Titel: Prozastukken voor de hoogste klassen van 't gymnasium
Auteur: Bosch, J.H. van den
Uitgave: Utrecht: H. Honig, 1896
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 08-239
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202619
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Bloemlezingen (vorm), Leermiddelen (vorm), Bellettrie (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Prozastukken voor de hoogste klassen van 't gymnasium
Vorige scan Volgende scanScanned page
327
maaken! zo ik u niet lief had, zou het my dan hinderen ?
[Hy kuschte my regt welmeenend.]
Ik. Lieve Bram! Gy zult my in den grond bederven.
Hoe kan ik een Man vreezen, (en dat heb ik evel beloofd,
spot er niet meê,j die my zo familiair behandeld f En ook
zo een ky verytje is wel jent; wy zullen anders van dood-
stroomig vergenoegen in slaap vallen.. . Gaat gy nog naar
uw kantoor ? [Ik streelde zyti wang ; me dagt, hy rebelleerde
wat tegen die pil, en hy moest die evenwel slikken.'\
Hy. Niet als gy zoet zyt, anders... ' //
Ik. Point de Pardon! — [Viel ik hem in.]
Toen was alles wel. Hy verzogt my, dat ik my, vóór
Mama my op 't mat kwam, uitkleede. Dan (zeide ik, uit
schalkery,) moet gy my wat helpen, want ik wil myne
Kamenier niet roepen. — Goed, maar het zal u slegt be-
vallen, ik hen zeer onhandig. Hy nam lachend een kaars
op, dit was my genoeg: hem de kaars afneemende, zeide
ik, met Pyrrus: Ik hen voldaan.
Het spyt my niet véél, dat ik t'huis bleef. Hy is gansch
niet onaartig; voor een getrouwd Man, wil ik spreeken.
De knegt kwam de tafel dekken, en ik vroeg: of Mama
wel meer ten agt uuren soupeerde? Het was echter reeds
half tien. Hoe vind gy die?
Nu zal er op de Saletten wat te doen zyn! Sta vast.
Bram Ryzig, en gy ook, o zyne eerzaame lieve hyzon-
dere discreete Wederhelft! Wat zullen er, door het arm-
hartig saletten-vernuft onzer welgekleede jonge lieden,
Tooneelen opgelapt worden! Bram zal de Tiran, en ik de —
vermoorde Onnozelheid moeten speelen. Het zal my zelf
niet verwonderen, als men aanstaande week verhaalt, en
met een, sur mon honneur, verzeekert, dat wy Hoeksch
en Kabeljaauwsch huishouden; dat Bram aan de zwier
gaat, en ik, arme Vrouw, het Water of de Tering kryg.
Ik hoop, uit liefde voor den roem van hun vernuft, dat zy