Boekgegevens
Titel: Prozastukken voor de hoogste klassen van 't gymnasium
Auteur: Bosch, J.H. van den
Uitgave: Utrecht: H. Honig, 1896
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 08-239
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202619
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Bloemlezingen (vorm), Leermiddelen (vorm), Bellettrie (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Prozastukken voor de hoogste klassen van 't gymnasium
Vorige scan Volgende scanScanned page
323
Mama. Zy droegen ten minsten geen twee Horloges,
en dat met bandjes, even als de manlui. Foei!
Ik. Daar spreekt Dominé Mouche niet van; en ik ben
op het stuk der Vrouwen kleding niet zeer oudheidkundig:
zy droegen toen mooglyk, op de eene zyde een gouden
beugel, en op de andre zyde een Etui; of dit nu zo veel
wyzer was, mag Mama beoordeelen.
Ryzig. [Het vuur ter deeg leggende, want hier legt al
vuur aan; en schamper lachende, dagt my.] Zo al niet
wyzer, ten minsten meer in de Sex. Gy draagt immers
geen twee Horloges, Daatje?
Ik. Myn lieve Bram, dat kan ik niet doen, want ik
heb er maar een.
Ryzig. Ook niet met een bandje, als een jongen ? hoop ik.
Ik. Mama verbood het my, en ik deed haar zin.
Ryzig. 'tIs of je lui Meisjes bedui veld zyt, dat gy de
jongens zo naaraapen moet. En nog te meer —
Ik. \hem in de reden vallende.] Om dat dit de Meisjes
weinig eer kan aandoen. Heeft Mama ook tegen het on-
nozel Jasje, dat ik, als ik uitryde, in den winter aantrek?
Mama. Niets ter waereld, Dogter; dat is warm, en
bewaart zo wel de gezondheid als de kleêren. Waarom
vraagt gy dat zoo?
Ik. Wel Mama, om dat ik eens heb hooren vertellen,
dat zeker Engelsch Proponent, te Middelburg zynde, om
op de proef te preeken, door zyn Hospes den raad kreeg,
van zyn grooten Mof t'huis te laaten, wyl hy anders het
beroep niet zoude krygen: „Goed, (zei hy,) dan zal ik ook
„myn borstrok uitdoen, want ik draag beiden om dezelfde
„reden, om dat ik het hier zoo koud vind in Zeeland."
[Ryzig lachte. Mama zag even gelyk.]
Ryzig. Neen, Daatje, uw onnozel Jasje, zo als gy het
noemt, zult gy houden; en te meer, om dat gy genoeg
van de Vrouw over hebt, en u veel te dun kleedt, om met