Boekgegevens
Titel: Prozastukken voor de hoogste klassen van 't gymnasium
Auteur: Bosch, J.H. van den
Uitgave: Utrecht: H. Honig, 1896
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 08-239
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202619
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Bloemlezingen (vorm), Leermiddelen (vorm), Bellettrie (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Prozastukken voor de hoogste klassen van 't gymnasium
Vorige scan Volgende scanScanned page
317
uit eene verliefde mymering onverwagt vi'ierd t'huis ge-
roepen. Ja kind, uw zaak; want gy begrypt wel, hoop
ik, dat ik het niet meen te leezen? maar ik zal het u
zenden, of gy, in de Lectuur daar van voor uwen Oom,
iets vond, dat hem zyn opium konde doen missen. Magtig,
wat spyt het my, dat ik geen Poëtès ben! Wel, dan maakte
ik, als gy met Pastor Fido in de fuik stapte, een Her-
derszang: une Elegante Idille( Myn styl zou vloeijen, zo
als Professor Narrens zegt: „als melk ende als honing,"'
en ik zou er al de R., en T., en soortgolyke harde letters
uitlaaten, om die zagtheid te bevorderen. Krielen zou het
er in van Schaapeu, witte Lammeren, van Bloemkransen
en van Kroost. Nu, Nigt en ik zullen regt intime Vrien-
den worden. Wy hebben ook byzonder veel van elkander.
En zo zy my, tegen dat gy trouwt, wat van haaren Poe-
tischen smaak wil overdoen, dan zal ik haar, een half jaar
lang, alledaag, een uur in de kunst van zich wel te klee-
den onderwyzen, ja haar zelf een groote pop present doen,
om zich t'huis daar aan te oeffenen. 't Is waar, ik zou niet
gaarn Nigt zeggen, by Jan en heel de waereld, tegen een
wysneusje, dat noch weet te zitten, noch zich een fataoenlyk
uitwendig te geeven: het woord fatsoen verstaat gy.
Wim, die nooit kwaad van de Meisjes spreekt, (hy is
myn Broêr, moet gy denken,) zegt, dat zy veel weet, en
dat zy alleen wat meer conversatie moest gehad hebben.
Wel, 't is toch bedroefd, zeide ik, dat zulke menschen
maar te veel moois vinden in anders te zyn dan wy,
domme meiden. Hy had vry wat te zeggen op die benaa-
ming; maar vertelde my (of ik het niet wist!) „dat Ridder
„ N e wton noch door eenige natuurlyke, noch door eenige voor-
gewende bijzonderheden, „zich nooit van zyne medemenschen
had onderscheiden..." Maar ik zou met Ridder Newton en
myn Nigt Hexameter wel vergeeten, dat ik de Bruid ben, en
bezig was om u van myne Fêtes te schryven! Dominé Heftig