Boekgegevens
Titel: Prozastukken voor de hoogste klassen van 't gymnasium
Auteur: Bosch, J.H. van den
Uitgave: Utrecht: H. Honig, 1896
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 08-239
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202619
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Bloemlezingen (vorm), Leermiddelen (vorm), Bellettrie (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Prozastukken voor de hoogste klassen van 't gymnasium
Vorige scan Volgende scanScanned page
316
wees niet alleen beter — neer, wees ook mooijer dan ik.
Noem my eens eene Bruid, die dit ter goeder trouw kan
zeggen, 't Is waar, Ryzig maakt my niet zot, door my
t leugens te vertellen. Hy heeft my nog geene enkelde keer
over myne gevaarlyhe schoonheid gesprooken. Knap slag
is ook al genoeg, voor zo een verstandig wyshoofd.
Gy zyt genoeg gestraft, want Wim zou geheel voor u
geweest zyn — immers, zo lang als de partyen duurden.
Die eer hebje nu mooi verkeeken. Ik heb hem nu geplaatst
by eene Nigt van Ryzig, daar de jongen doodelyk meê
verlegen zit. Een akelig wezentje; een Dichtresje, dat in
aartige Vaarsjes^ een allerliefst Treurspelletje schryft, en
een heel zoet Dramatje maakt, dat met veel verlangen
verwagt wordt. Dit oudagtig jong Meisje piept hem den
godganschen dag aan zyn ooren van smaak, en van fijnen
smaak, en dat wy (geloof ik,) Hollanders, geen smaak
hebben; en van het metrum, en van de rust, en van de
Dactylus, en van Werken van smaak, en soortgelyk tui-
gagie. En onderwyl zit de arme jongen met een bakkes,
daar het Martelaarsboek aan den eenen, en de Hoofdsche
welgemanierdheid, aan den andren kant, duidelyk (immers
y voor my,) op gedrukt staan. Myne zucht om Aliassen te
geeven kwam weer boven. Ik noem haar des niet Betje
Ryzig, maar om de gemaklykheid, Apollonia Phebia Hexa-
meter. Het komt my voor. Piet, dat indien zy geen meer
smaak heeft van Poëzy, dan van zich te kleeden, dat wy
ons dan nog wel eens met Nigtjes Dichtwerken zullen
amuseeren. Zy heeft my een Bruiloftsvaars beloofd; en
dewyl het maar aan my stond om te zeggen, in welk een
vorm ik het hebben wilde, heb ik dien van een Helden-
dicht gekoozen: me dunkt, dat zal er nog zo een geurtje
aan geeven. Het zal yselyk lang zyn; dat heb ik al ge-
merkt. Nu, dat is haar zaak, en ook uw zaak. Pietje.
„Myn zaak?" vraagt gy, met een gezichtje, als of gy zo