Boekgegevens
Titel: Prozastukken voor de hoogste klassen van 't gymnasium
Auteur: Bosch, J.H. van den
Uitgave: Utrecht: H. Honig, 1896
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 08-239
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202619
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Bloemlezingen (vorm), Leermiddelen (vorm), Bellettrie (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Prozastukken voor de hoogste klassen van 't gymnasium
Vorige scan Volgende scanScanned page
312
komen, denk ik. Dominé laa weer wat voort. Eindelyk
raakte het Gedigt nog uit. Wel, (zei ze,) dat is een mooi
stuk! en zo gehalzemd geschreeven. Alle onze jonge lui
moesten dat leezen, in plaats van die konkelige Vlaamsche
Operaas deunen, en Fransche Liedjes. — Ja, (zei ik zo,)
dat was goed. En wat zeit het Gedigt dat tnooi, dat men
hier zo in het onzeker voortleeft; dat heb ik. Tantelief,
gisteren nog ondervonden. Myn man was naar stad, icant
daar is hy niet van daan te slaan, en hy bleef wel een mir
over zyn tyd weg. Ik zei al in my zelf, waar may hy
toch weer ergens in een gat steeken? Ik haalde allerlei
muizennesten in myn hoofd, want een Mensch denkt altijd
het ergste. Dan dagt ik iceer, kom, kom, hy zal in geen
twee slooten gelyk loopeti; en die hem van daag steelt, zal
hem morgen wel t'huis brengen. Maar het geen my nog
best vertroostte tcas, dat me juist die text inviel, het uxts
net, of het my zo wierd ingegeeven: die God bewaart, is
wel bewaard: zo dat ik maar zeggen teil, dat dit in 't ge-
heel maar niet van het mooiste is met die onzekerheid.
Juffrouw Heftig en ik hadden ook schoone pret, om dat
het Gedigt zegt, dat God de Heer de Huichelaars ook niet
gemaakt heeft: ivant (zei ze zo,) ik heb de meeste woorden
met Dominé, als wy ons kerkelyk bezoek hebben, en Broer
Teem daar een Gebed staat uittebulken, zo lang of hy er
op gehuurd tvas, en dat al het eeten koud en styf en zud-
derig wordt. Hoor, Tante lief, ik hou van kort en goed:
myn Gebed moet zo lang niet zyn als een Lynbaan. Ja, Nigt,
die eigenste Juffrouw Heftig heeft de Schrift op haar
duim, en zy brengt het zo mooi te pas. Maar 't was of
het te Keulen donderde, toen Dominé zyn stem verhief
en zei: het smart my in myn ziel, (zei hy zo,) dat gy.
Juffrouw, en dat gy vooral, myn lieve Vrouw, den Geest
der onderscheiding niet hebt, Ja, ja, (zei Dominéés Vrouw,)
try moeten allen niet even ryk of niet even ivys zyn. En