Boekgegevens
Titel: Prozastukken voor de hoogste klassen van 't gymnasium
Auteur: Bosch, J.H. van den
Uitgave: Utrecht: H. Honig, 1896
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 08-239
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202619
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Bloemlezingen (vorm), Leermiddelen (vorm), Bellettrie (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Prozastukken voor de hoogste klassen van 't gymnasium
Vorige scan Volgende scanScanned page
20
wandelde ter deure uit. Wij willen hen op de wandeling
niet vergezellen, maar hen liever terstond weder ontmoeten
ter bestemde ure, waarop zij de woning van den Hoog-
leeraar binnentreden.
„'t Zal m|j toch benieuwen," dacht "Winius bij zich
zeiven, terwijl hij de voeten op de gangmat afveegde, „of
die Kornelia Vossius zoo schoon is, als de onbekende, die
ik in de Oude Kerk zag."
Mattheus geleide zijn beide aanstaande huisgenooten naar
de groote achterzaal, waar het gezin, benevens een klein
getal genoodigden, gezeten was. Vossius kwam hen terstond
te gemoet, en terwijl hij Winius de hand drukte en Key
met een vriendelijke hoofdbuiging begroette, „vergunt
mjj," zeide hij, „u beiden aan mijn huisvrouw voor te
stellen, en vergunt haar, te blijven zitten. Amsterdam heeft
ons veel weldaden bewezen, doch het wreekt zich op mijn
arme Elizabeth; want sedert zij hier is, kan zij maar niet
van de jicht genezen."
Eerbiedig bogen zich de jonge lieden voor de dochter van
den grooten Junius, op wier gelaat de jaren en de lichaams-
pijnen nog de sporen der schoonheid, die haar eenmaal
kenmerkte, niet geheel hadden uitgewischt.
„Wij hopen, mijn dochter Kornelia en ik, u het verblijf
alhier zoo geriefelijk te maken als in ons vermogen is,"
zeide Elizabeth, met een minzamen lach. — Winius wilde
deze heusche toespraak op hoffelijke wijze beantwoorden;
doch de woorden stikten hem in de keel en het was of
het hoofd hem op eenmaal duizelde, toen hij, de oogen
van de moeder wendende naar de dochter, die nevens haar
stond, ontdekte, dat Kornelia Vossius en de onbekende van
de Oude Kerk eene en dezelfde persoon waren. Nu stond
het hem tevens helder voor den geest, dat de jonkman,
aan wien zij toen den arm gaf, niemand anders was dan
haar broeder Mattheus, en zoo hij dezen niet herkend had,