Boekgegevens
Titel: Prozastukken voor de hoogste klassen van 't gymnasium
Auteur: Bosch, J.H. van den
Uitgave: Utrecht: H. Honig, 1896
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 08-239
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202619
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Bloemlezingen (vorm), Leermiddelen (vorm), Bellettrie (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Prozastukken voor de hoogste klassen van 't gymnasium
Vorige scan Volgende scanScanned page
301
de Smit, en hy verkogt een treeft, 't Is met jou ook zo.
Denk je niet, dat ik weet, dat je geprittendeerd word?
en zie daar, ik noem man en paard: van men Heer Ryzig;
wel bekend, immers zyn Voorouders. Want zyn Grootmoe-
der Bregtje Gerrits (wist men toen van Mevrouw ?) Bregtje
Gerrits, of in de wandeling Bregtje Kostelyk, want het was
er in huis of je zo by de klinkklaare ryke Benisten kwamt;
zo kostelyk was het er. Nou, als de maan vol is, schynt zy
overäl. Me dunkt, al ben ik maar jen Tante, en al heb ik zo
veel verstand niet, als jen Moeder, als Mevrouw van Olden-
burg, meen ik, zo had ik op dit stuk ook wel mogen geraad-
pleegd worden. Het is my waaragtig ook niet eender, wie
er zo al maar in de familie komt. Niet dat ik wat tegen
den Jongman heb; ik heb lang in zyn Moeders buurt
gewoond; maar hy hield zich wel. En al droeg ik geen
sak, en al had ik een muts op myn hoofd, hy groette
Buurvrouw altoos, of ik ook een Mevrouw was. Ik had
dikwyls myn spikkel in hem. En hy schikt zich ook niet
op als de Meisjes, drie treedjes op een tafelbord, daar myn
kalf Mozes zo alle duivels om uit de hel kan vloeken,
als hy een jong Karei zo ziet kwispelen, en op straat
drillen. Maar toch, Aal, het is jen slag niet. Je weet, ik
ben een flap-uit; en aan jou, Nigt, zeg ik het regt uit.
Hy is veel te verstandig voor jou. Hy zou gaauw zien,
dat jy een Huishoudster op schillen zyt. Nou, ik zeg
Huishoudster tegen jou! zo gaan er altoos dertig in een
douzyn en dan is 't nog, hoe grooter hoop, hoe slimmer
koop, zo als Jan Luiken in zyn Liefdevonken leert, meen
ik, of het moest Kats weezen; nu, dat kan nietscheelen.
Hy zou gaauw zien, dat hy bekogt was. Hy mogt wel een
paardje-schytgeld op stal, en een koets op de stoep heb-
ben. Neen, hy dient je als een vuist in jen oogen. Of
Grootje Ryzig u ook agter de vodden zou zitten! Want
het is een andre haaneveer als jen Moeder.