Boekgegevens
Titel: Prozastukken voor de hoogste klassen van 't gymnasium
Auteur: Bosch, J.H. van den
Uitgave: Utrecht: H. Honig, 1896
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 08-239
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202619
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Bloemlezingen (vorm), Leermiddelen (vorm), Bellettrie (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Prozastukken voor de hoogste klassen van 't gymnasium
Vorige scan Volgende scanScanned page
300
Martha. Zo dat ik weinig tyd heb, om my met
praatjes op te houden. En: '
Terwijl het Schaapje bleet, verliest het een beetje.
Terwyl 't Vrouwtje klappeit, verliest het een steekje.
zo als mya oud Motje pleeg te zeggen. Ik zeg praaten
en breiën. Ja, de Amsteldamsche waereld is wat veran-
derd in myn tyd! Zag de wyze Salomon ereis op, hy
zou niet zeggen: dat er geen nieuws is onder de zonne.
"Wel, de Juffrouwen draagen Manlui hoeden op der hoofd.
En ik zie my stom op al de nieuwe snofjes, die er weer
uitkomen. Nu, het gaat er ons Land ook na! want de
Engelschen neemen immers al weg, wat los en vast is.
Ik lees druk in den Nieuws-Vertelder; 't is jammer, dat
er zo veel Stadhuiswoorden in staan; ik begryp het zo alles
niet. Maar ik merk wel, dat de boel in Europa vlak op
zy zit. En onze Freryk zegt, dat wy aan laager wal
gestuurd worden; en hy zou er wel zo eens een paar
douzyn van die lelykerts wat balsamiek willen doen kiel-
haalen. Ja, ja! hy weet wel van 't Land, maar wil er
nooit met my eens over spreeken. „Dat zyn geen Yrou-
„wen zaaken," zeit hy dan. En dan denk ik, 't is ook
waar. Ook schryft de krant zo veel leugens. "Wel, Nigt,
hebben zy daar onlangs my niet de dood op myn lyf
gejaagd; toen zy vertelden, dat de Engelschen te Vlissin-
gen alles kort en klein sloegen; ja dat de Vloot al heel
aan den Uithoorn was. En denk, ik zat evenwel moerziel
alleen voor alle Engelsche baldaadigheid bloot; want myn
Man is Sinjeur, zelden fhuis. Zo dat, ik weet niet, hoe
het zit met ons land; en Freryk zegt my zo niets.
Maar nu zulje weer uit de Nagtschuit komen; en zeg-
gen: „Heden, wat voor een geheim!" Hou je maar niet
van de mallen! wel, dat is de druif in myn mond, zei