Boekgegevens
Titel: Prozastukken voor de hoogste klassen van 't gymnasium
Auteur: Bosch, J.H. van den
Uitgave: Utrecht: H. Honig, 1896
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 08-239
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202619
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Bloemlezingen (vorm), Leermiddelen (vorm), Bellettrie (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Prozastukken voor de hoogste klassen van 't gymnasium
Vorige scan Volgende scanScanned page
19
toegejuicht, dat Winius niet kon nalaten aan zijn buurman
te vragen, wie die Kornelia wezen mocht, die aldus, buiten
iemands tegenspraak, als de schoonste onder de schoonen
werd uitgeroepen.
„Het is," antwoordde de student, „de zuster van den
jongeling, over wien wij juist zaten te spreken: —en zie
daar — hoe toevallig! — daar treedt hij zelf binnen.
Lupus in fabula" — Meteen wees hij op een jonk-
man van een beschaafd en zedig voorkomen, die, het ver-
trek binnentredende, aan de dienstbode naar den heer
Andreas "VVinius vroeg.
„Wij waren juist bezig over u te spreken, Mattheua!''
riep de student hem toe.
„Ik hoop geen kwaad," zeide deze, lachende, en toen,
aan den jongen Moskoviet voorgesteld, betuigde hij het
genoegen, dat hem de kennismaking beloofde met iemand,
over wien zijn vader zich reeds zoo gunstig had uitge-
laten.
„Ik ben," vervolgde hij, „door mijn ouders gelast, u te
zeggen, dat de heer Rey en gij reeds morgen uw intrek
ten onzent zult kunnen nemen, en dat het hun genoegen
zal doen, u inmiddels heden avond bij zich te zien."
Winius drukte over de ontfangen mededeeling zjjn on-
geveinsde blijdschap uit, nam gretig de gedane uitnoodi-
ging aan, en betuigde toen op hoffelijken toon, hoeveel
genoegen het hem deed, kennis te maken met een zoo
uitstekenden 'geleerde als Mattheus. Al sprekende kwam
het hem voor, als had hij dezen meer gezien; doch hij
kon zich niet herinneren, waar, of bij welke gelegenheid.
De jonge Vossius bood zich nu aan om hem, gedurende
den tijd, dien zij tot aan den avond vrij hadden, ten gids
te strekken en hem en zijn kweekeling het merkwaardigste,
dat Amsterdam opleverde, te doen zien. 't Spreekt van
zelf, dat Winius dezen voorslag aannam, en het drietal