Boekgegevens
Titel: Prozastukken voor de hoogste klassen van 't gymnasium
Auteur: Bosch, J.H. van den
Uitgave: Utrecht: H. Honig, 1896
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 08-239
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202619
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Bloemlezingen (vorm), Leermiddelen (vorm), Bellettrie (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Prozastukken voor de hoogste klassen van 't gymnasium
Vorige scan Volgende scanScanned page
292
de dingen te zeggen! Daar loop je nou weer zonder hals-
doek om jen hals! "Wel, 't is een schande en ergernis.
Waarom doe je niet als ik? Loop ik zo, en ik ben nog
zoo veel ouwer; dat zou nog passeeren kunnen, als ik
een ryke Mevrouw was. "Want wie zou ik ergernis geeven,
wil ik spreeken? Maar zulke jonge kleuters! "Wel, 'tlykt
nergens na! Ik heb daar zulke fyne Neteldoeksche doeken,
die nooit in 't water geweest zyn, en die zou ik je gaarn
tot een welkomst in de Familie geeven; maar wat is 't?
zy zouden gaauw verknipt en verkonkeld zyn, en dat was
de meening niet. Onze Tuinlui spreeken er schande van,
dat je zo loopt, en jen Oom zal er je eens terdeeg over
spreeken.
Jy, Nigtje, weet nog zo wel wat uit de Schrift; doe
je niet ? want je bent immers al aan, kind ? schoon ik ge-
loof, datje meer Comedies en Romans dan wat goeds leest;
maar Betje van hier naast zeit, dat dit zo de mode is
onder Dames van fatsoen; en ik weet dat zo niet. Nou,
jy weet nog wel zo wat Texten; maar ik heb een memorie
als een garnaal, en ben myn Belydenis glad vergeeten. Je
moet denken, ik heb t'huis wel wat anders te vinken, dan
Geloofs-Belydenissen te onthouên. En het is jaar en dag
geleeden, dat ik aankwam, by Dominé Kulenkamp. En
toen waren er veel Hernhutters in Amsteldam; en daar
waarschuwde Dominé my altoos voor. 't Was slegt sloerie
goed, zei hy; dat moet zo zyn, want naderhand zyn zy
meest allen naar Seist gebannen; waar of dat nu leit, weet
Joost; maar myn Man weet zo, waar al die plaatzen lig-
gen. Nu, dat is vóór uw geboorte, doch my heugt het zo
veel te beter. Zo dat ik maar zeggen wil, dat gy nog
wel wat uit de Schrift zult weeten; althans meer dan ik;
en de jongste Schepen wyst het vonnis.
Je moet dan weeten, kind, dat eergister avond hier de
Schoolmeester van Kipdorp op een pypje was; daar Papje