Boekgegevens
Titel: Prozastukken voor de hoogste klassen van 't gymnasium
Auteur: Bosch, J.H. van den
Uitgave: Utrecht: H. Honig, 1896
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 08-239
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202619
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Bloemlezingen (vorm), Leermiddelen (vorm), Bellettrie (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Prozastukken voor de hoogste klassen van 't gymnasium
Vorige scan Volgende scanScanned page
289
(zei ik toen,) want het is zo. — Maar zwyg het toch,
Liefste, (zei Dominé.) En ik zei: wat hoeft dat ? doch ik
geloof niet, dat ik in haarlui Kerk geweest hen, want gy
heht my altoos gezegd, dat men daar van geen Christus
sprak, en dat was wel het tegendeel. Dominé wierd heel
moeilyk: maar ik moest daar meer van hehben. Seurt my
zo aan 't hooft niet, (zei hy,) ja, zy spreeken nog wel van
een Christus, maar daar zou men zich over bedroeven;
alleen als wetgeever, niet als zaligmaaker. — Wel kind,
(zei ik,) kunnen de Armiaanen dan niet zalig worden? —
Zo lang zy Armiaansch zyn, is dat onmooglyk. En daar
mee was dit praatje uit. Maar ik ben er al veel van ver-
geeten, want ik moest van Betje kraamen, en die is nu
tien jaar oud.
Ik loop, als een Kip zonder hoofd, door myn huis, nu ik
hoor, dat Wim zo een Armiaansche Vrygeest word: maar
zy zeggen, dat hy door een lelyken zuurmuil van een jongen
verleid wordt, die een hoope viesevaazen over het Geloof
in den kop heeft. Dien jongen, daar heb ik den nyd op.
Maar Dominé zeit, (en die is maar oud agter zulke din-
gen,) dat als Wim uitverkooren is, dat hy dan wel ver-
leid kan worden, maar nooit afvallen. — Ja (zei ik,)
hoe weeten wy dat zo op een hairtje? het is altoos nog luk
raak, en met scheuren en breeken, dat wy er komen. Maar
myn Man zeit dan, (en hy heeft gelyk ook,) dat ik daar
geen verstaajewel van heb. — Nu, Dominé moet het
weeten, en daar troost ik my mede; doe ook zo, myn
lieve Mevrouw. Want wat jong mensch doet wel eens niet
wat, 't welk niet in den Emmer valt? Denk maar aan
David, aan Salomon, den wyzen Koning; en wat hoeven
wy zo ver te loopen? hier. Petrus, en dat was zulk een
braaf oprecht man, als er een op een paar beenen gaan
kan; ik hou veel van Petrus; hy hield niet van dat om
den kant praaten; hy klopte er maar wat op: nu, dat is
19