Boekgegevens
Titel: Prozastukken voor de hoogste klassen van 't gymnasium
Auteur: Bosch, J.H. van den
Uitgave: Utrecht: H. Honig, 1896
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 08-239
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202619
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Bloemlezingen (vorm), Leermiddelen (vorm), Bellettrie (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Prozastukken voor de hoogste klassen van 't gymnasium
Vorige scan Volgende scanScanned page
288
noch hemel geloof slaat. Dominé heeft er de koorts van
gehad; ja, ik weet.... Wel, wat scheden die kinderen?
Ho, ho! het zal waajjen, men weet er langer geen weg
mede____ Tot morgen. Dan zal ik zien, of het beter
vlotten wil.
Twee leggen er in de wiegen, en vier zyn er naar
school. Nu zal ik er beter aan kunnen blyven. Wat wilde
ik gisteren zeggen ? ja! dat Dominé er de koorts van ge-
had heeft. Hy is wonderlyk gevoelig op dit stuk. Mevrouw,
Ik was eens, by geleegenheid dat myn Zuster Rammel
trouwde, (maar nu ik zo in de kinderen raak, is het: gy
zult mee, op Jan Thuisblyfs wagentje;) te Rotterdam; en
kuyërde zo eens de Kerken uit en in. Daar kwam ik in
een Kerk met myn Amsteldamsche karnuiten, waar in de
Leeraar sprak over de hangende Tuinen van Bahel, over
den Delfschen drievoet, en van een klomp vygen, als eene
remedie om oj) een gezwel te leggen. Ik ging heen, en dagt,
dat zal zeker een Remonstrantsche Kerk zyn, want ik
hoor geen woord van den Heiland. Wy kwamen in een
andere Kerk; want ik ben heel nieuwsgierig, en mag
graag zo eens wat slenteren. Daar hoorde ik heel ernstig
uit Gods woord spreeken; zo als dat icy vergeeven en
vergeeten moeten; . . . dat het Jezus discipelen zyn, die
zyne geboden opvolgen, en zo al meer; heel mooi waarlyk,
naar myn domme verstand.
Toen ik in huis kwam, mogt ik zo zeggen: wat zyn,
hy onze Kerken, de Rotterdamsche toch klein! — Klein!
(zei Dominé,) wel waar ben je dan geweest? Ik beduide
het, zo goed en kwaad als ik kon, en zei: daar ergens
hy de Beurs en het Postkantoor. — Ach, Vrouw, (zei hy,
en hy wierd zo bleek als de bef, die hy voor had,) ach.
Vrouw, dan ben jy in een Armiaansche Kerk geweest, en
durf jy nog zeggen, dat je gesticht bent? — Heel tvel.