Boekgegevens
Titel: Prozastukken voor de hoogste klassen van 't gymnasium
Auteur: Bosch, J.H. van den
Uitgave: Utrecht: H. Honig, 1896
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 08-239
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202619
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Bloemlezingen (vorm), Leermiddelen (vorm), Bellettrie (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Prozastukken voor de hoogste klassen van 't gymnasium
Vorige scan Volgende scanScanned page
18
III.
Op den middag vau dienzelfden dag waren onze twee
jongelieden in de gelagkamer van de Stads Herberg aan het
nagerecht gezeten. Het gezelschap was vrij talrijk en bestond
voor een groot gedeelte uit studenten, die hier gewoon
waren te spijzigen; want, ofschoon de kollegiën nog geen
aanvang hadden genomen, zoo was het getal der jonge lieden,
die den vakantietijd gedeeltelijk te Amsterdam doorbrachten,
vrij aanzienlijk, gelijk over 't geheel dat der studenten
aldaar bijna even groot was als aan 's Lands Hooge School.
Winius, die 't zoo voor zich zeiven als voor zijn kweeke-
ling nuttig oordeelde, hun aanstaande makkers te leeren
kennen, bleef langer met hem aan tafel dan anders hun
gewoonte was, luisterde naar hetgeen gesproken werd en
mengde zich nu en dan in het gesprek, 't welk, zoo als
doorgaands bij dergelijke gelegenheden gaat, nog al van 't een
op 't ander onderwerp sprong. Langzamerhand met zijn
buurman, een student in de letteren, in kennis geraakt
zijnde, had hij met dezen een onderhoud aangevangen over
het werk, dat de zwager van Vossius, Franciscus Junius,
de Pictura Veterum geschreven had en waarvan de
uitgave door den hoogleeraar op de beroemde drukkerjj
van Blaeu stond bezoi/d te worden, en zoo over de Vos-
siussen pratende, liet hij zich door zijn buurman vertellen,
hoe de jonge Mattheus Vossius zich op 27jarigen leeftijd
reeds beroemd maakte door de uitgave zijner annales,
toen er op eens tusschen de wat verder gezeten studenten
geen klein rumoer ontstond, en een hunner, den vollen
beker omhoog heffende, uitriep: „wat moogt gij van schoone
vrijsters spreken. Ik drink op het welzijn van Kornelia,
de schoonste onder de schoonen."
Zoo eenstemmig werd deze dronk door de aanwezigen