Boekgegevens
Titel: Prozastukken voor de hoogste klassen van 't gymnasium
Auteur: Bosch, J.H. van den
Uitgave: Utrecht: H. Honig, 1896
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 08-239
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202619
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Bloemlezingen (vorm), Leermiddelen (vorm), Bellettrie (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Prozastukken voor de hoogste klassen van 't gymnasium
Vorige scan Volgende scanScanned page
281
een regte bulderbast, maar datst' ook al. 't "Was aan-
stonds : Ik ga naar Broêr. Ik moet daar haring of kuit van
hebben; al was zy van Chams geslagt, ik zal haar over
heur brief gaan spreeken. — Ik zei nog al: Kind, man,
wat zal je er aan hebben? Wat zal je er aan doen?
je zult Zuster ontstellen, en Gerrit zyn grooten mond open
doen. Je zult het heele huis op stelten zetten. Je zult Buuren-
gerucht maaken; denk, dat het groote lui bennen. Ik zal het
u-el met een Brief af maaken. Ja! zo menig een Fransch-
man. Hy trok zyn jas maar over zyn kamisool aan; want
ik versta niet, dat hy zo heel naar de Heeregragt in zyn
kamisool frankt. Myn man heeft gelyk: Het Boek, dat ik
voor de Reis van Bontekoe hield, was Bunjans Christen-
-reize naar de Eeuwigheid. Ik was maar wat in de reis
verward; want ik lees graag, had ik maar tyd. Het komt
alles op my aan: Meiden zyn Meiden, en myn huis is
werklyk. En Betje van hier naast zei nog van daag:
Buurvrouw, H is jammer, dat je zo met jen tyd bepaald
bent, want ik heb daar zo een zoet Boekje. Nu, Befje,
(zei ik,) als 't weer winter wordt, en wy lange avonden
krygen, dan wil Buurvroutc dat Boekje teel eens leezen. Ei,
zeg toch aan Nies, dat zy een glazenwasscher mêe brengt:
men kan hier buiten zo niets krygen, Nigt. Het mensch
komt my wel voor, het is een drooge Werkster. Ze
pryst jen Moeder danig en danig. Over myn Zoon zal ik
wel met je spreeken. Want een mensch en zin is een
mensch en leven, en ik denk altyd, als zy hem is opgeleid,
dan zal hy ze hebben; zie, al zat je dan tusschen vier
muuren gemetzeld, dat schaadt niet. En de Jongen houdt
kragtig veel van je. Hy is niet veel van zeggen, maar
doen is de zaak. Ik hou my ook maar van de malle; dat
moet je ook maar doen. Nu, de dienstpresentatie en de
gebiedenis aan Vader en Moeder. Waarom komt de Jon-
gen niet Buiten? Hy zal eens een deege schrobbeering